is toegevoegd aan je favorieten.

Kleine bandeloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze klein-jammerend voor zich heen; »wat doet-ie man ook hier?«

Ze zou de kinderen maar roepen, het liep tegen eten. — Die straat was een kruis — zuchtte ze stil verdrietig voor zich heen.

»Marie. .. Marie ben-je achter ?«

»Ja, roept u?« riep een stem uit de keuken terug.

»Zal 'k de kinderen tikken?«

»0, lieve God . . . asjeblieft niet moeder, laat ze nog effe, laat ze maar spelen, ka-je ze zien ?«

»Ja, ze speulen in 't veld bij de spoor,«

»Met een kwartier gaan we eten,« riep de vrouw uit de keuken terug; »hou je ze wat in 't oog?«

sja. . . ze speulen dichtbij.»

»Je blaast vóór dat fornuis,« pufte de vrouw uit de keuken sliffend. Haar bruin geschroeide handen steunden rustend op de uitzettende heupen. De mouwen van haar los dunne jakje waren breed gerold tot in den wrong van den elleboog. Zwaar hing een zwart-glanzende haarknot, gedraaid tot een los-woelenden knoop in haar nek.

»Hè, je stikt in die keuken, die zon brandt op de ruiten. . . en dan die vent met zijn gezeur, wat had hij...? heb-je nog een klok hooren slaan ?«

Het scherp doorgroefd kamergezichtje, met een diep neertrekkende kloof om den mummelenden mond, gluurde met strak priemende oogjes achter de bloemen. »Neé. . .« zei ze voortmijmerend; »maar die lange trein