is toegevoegd aan je favorieten.

Kleine bandeloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Karei pak an,« riep de moeder naar den anderen jongen, »je kiel, niet ravotten hoor... en schiet nou wat op voor de kerk!«

»Laat hem nou maar,« fluister-praatte het grootje: »hij is nou al schoon.« Ze lachte meelijdend, benepengedwongen naar het wringende lijf van den jongen. Zijn afgezakte kousen woelden als dikke zwarte proppen om de spartelende beenen. Het wit-tricot broekje gespannen om de strekkende knieën.

»0, o!« jankte de jongen angstig benauwd ; »ze drukt me lijf in!«

»Is 't nou uit, Miep!« drifte de vrouw opnieuw: »dat gejank met die jongen.«

»Nou, hij mot toch schoon, hè,« praatte ze overtuigend terug, »d'r is maar effe een beetje zeep in zijn neus gegaan, die jongen gilt als. . . Zijn rood warm-gewreven gezicht proestte met een lawaaiend getoeter van den neus, onder het laatste plassende bad.

»Zie . .. zoo, nou mot je weer 't hart hebben om te schreeuwen,« sprak ze met een beleedigd norsch gezichtje. »Lekker dat water, hè! ach gossie is t in je neus gegaan,... wat een jonge!« Haar kleine oogjes glinsterden voldaan naar den pruilenden jongen, met zijn woeste druipende haren. »Waar ga je heen ?« stoof ze op. »Nee, om de duvel niet, als de maan, wou je zóó weg?«

Mét greep ze van een bijstaanden stoel een strak gerokken handdoek en begon den jongen te drogen.