is toegevoegd aan uw favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stapten flink en ze droegen elk een lange keerse die brandde. Dat waren de twee broeders van de arme, vermoorde Coppe en ze weenden en kermden en riepen: wach en wee om des wille van hun zusters dood. Pinte en Sproete, twee zwarte hennen, droegen de bare en zij ook waren zwaar te moede om haar goede zuster die zij verloren hadden. Van verre kon men haar gekerm hooren en weenend en snikkend zijn zij genaderd tot bij 't hoi.

Canteclaer sprong 't eerst in den ring en zonder anderen omhaal begon hij:

— Heere koning, bij Gods genade en bij uwe goedertierenheid, aanhoor mijne woorden en ontferm u over de rampe die Reinaert mij en mijne kinderen heeft aangedaan. Gij ziet ons hier vóór u in groote droefheid!

En hij begon te vertellen:

— Toen de winter voorbij was en April uitkwam en al de velden vol groen en versche bloemen stonden, en 't schoon weder voor goed in de lucht zat, toen voelde ik mij fier en preusch over mijn groot en schoon huisgezin. Ik had acht kloeke zonen en zeven snelle dochters die lust in 't leven voelden; Roopluime, mijn goede vrouwe, had heel dat nest uitgebroed en groot gebracht. Zij waren allen om 't even kloek en vet en liepen in een schoon perk dat beloken was met een hoogen muur. Daarbinnen stond een kot waar vele honden in woonden die ons bewaken moesten. Zoo waren mijn kinderen veilig en onvervaard en we leefden gerust in vrede.

Dat en kon Reinaert niet lijden en hij benijdde ons omdat we zoo vaste en ongenaakbaar zaten en omdat hij geeneen van ons grijpen kon. Want Reinaert, die kwade gebuur, liep heele dagen rond ons veste snuffelen en legde ons overal zijne hinderlagen. Maar

É