is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van rechts naar links. Dan verhiel hij zijne stem en sprak vóór al het volk, in dier voege:

— God den Heere helpe mij. Daar en is hier in heel die menigte noch vriend noch vijand waartegen ik niets misdaan heb, 't zij veel of weinig. Nochtans, luistert allen gij heeren, laat het u een lesse zijn en verneemt hoe ik, Reinaert, de ellendigaard, met de boosheid begonnen ben. Van in mijn vroegste jeugd en langen tijd daarna was ik een heusche jongeling. Toen men mij van mijne moeder speende, ging ik in de weide met de lammeren spelen om hun gebleet te hooren, waarnaar ik geern luisterde. Dat leed zoo lang tot ik er al spelend een verbeet en smake vond om het bloed te likken: en het smaakte mij zoo wel, het was zoo lekker dat ik meer goesting kreeg en het vleesch mede verslond. Daar kreeg ik zulkdanige liefhebberij in dat ik me op jacht stelde naar de geiten in 't woud, overal waar ik er hoorde bleeten. Daar verbeet ik twee bokjes om hun bloed te zuipen. Zoo deed ik den derden dag nog meer en ik werd stouter en bouder en verbeet hanen en hennen en ganzen al waar ik ze vinden kon. Van zoogauw ik bloed aan mijn tanden smaakte, werd .k zoo wreed en zoo geweldig dat ik zuiveruit vermoordde al wat ik vond en wat ik dacht dat mij bekwaam was om te verslinden. Dan, op een kouden, beijsselden winterdag, ontmoette ik Isegrim onder eenen boom al de kanten van. Becelare. Hij verzekerde mij dat hij mijn oom was en begon mij heel den samenhang van ons maagschap uiteen te doen. Alzoo werden wij gezellen en dat mag mij zeer berouwen I Daar beloofden en zwoeren wij malkaar eeuwige vriendschap en van dan voort zetten we samen uit op jacht. Hij stal de groote brokken en ik de kleine. Al wat wij bemachtigen konden was gemeenzame buit. Maar als het op deelen aankwam, mocht ik mij tevreden achten als ik de