is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Louize was verloofd met een rijk Amsterdamsch koopman, wat oudachtig al, wat uitgeleefd, maar ze zou hem wel weer verjongen, ze zou hem wel dwingen, haar te laten genieten van't heerlijke, volle, weelderige stadsleven; als hij niet mee kon, zou ze haar eigen weg gaan, ze zou vrij zijn omdat ze rijk was.

„Wel, wel, Guust," zei mevrouw van Geens, „we hebben je naam al 'n keer of wat gezien in de courant : wat 'n lieve stukjes heb je geschreven."

„Lieve stukjes?"

„Ja; over die speeltuin en over de nieuwe bruggen."

„Vooral dat van de bruggen was alleraardigst."

„Je hebt zoo'n prettige manier van schrijven, iedereen geniet er van."

Guust hoorde 't stil aan: ieder woor dwas als een klap in zijn gezicht; hij wist niets te zeggen, 't bloed vloog hem naar 't hoofd. O, dat vreeselijke, akelige, razendmakende, walgelijke gepraat van die menschen! Hij zou ze wel door mekaar willen schudden.

Waanders zat verbaasd te kijken, toch met een prettig gevoel over dien lof.

Leida keek Guust aan, ze begreep, wat in hem omging, en in eens vroeg ze: „Maar dat stukje over de heimachine, hoe vond u dat?"

Even verlegen zwijgen, toen zei de Fooi: „Nu, eerlijk gezegd, niet zoo goed als de andere: je had daar zoo'n rare stijl."

,,'n Beetje zwaar, maar dat hoort bij 't onderwerp," zei van Geens, zijn rond buikje schuddend van 't lachen, „zoo'n heiblok valt zwaai neer."