Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hem den indruk geven, dat haar refrein niet door allen gezongen, maar door allen gesproken werd, en voegt daarbij, dat hij althans de woorden: „Alle mijnen troost, mijn toeverlaet is Maria soon", niet anders weet te verklaren. Het schijnt ons niet toe dat do comma, die, in den tekst van Den gheesteli/cken ttpeel-waghen, het woord .Maria volgt, den zin veel duidelijker maakt; of staat dit: „Maria soon" hier niet voor: ,Maria soet", zooals in tokst B hierna? Wat er ook van zij, te oordeelen naaide melodie I, werd dit refrein wél gezongen; — W. P. H. Jassen, Tijdschr. voor .Y-.Y. mzgsch., IV (1894), hl. 15!», 5 str., naar een Hs. gevoegd bij een zangboek van 1600, ter boekerij van het Amsterdamsehe Begijnhof.

De wijsaanduiding: „Daer quamen dry coninghen uyt Orienten", te vinden bij H. 6. Bolognino, Dra gheestehjcken letuirercker, Antw. 1645, bl. 63, voor het lied waarvan de eerste stropho volgt, slaat op de melodie van het bovenstaande lied :

Siet allen, ons tranen nu zijn verdwenen;

dus singhen, dus singhen, dus singhen wy nu,

de son is op de aerde verschenen;

dus zyn wy nu bly.

Alle desen troost en alle dat goedt ons een kinneken doet.

Melodie. I. H. Pu. Iekkyn, Gheesldycken wueckenden staf der Iodsche Schoep-herders, Brugghe, 1651, nr. 19, bl. 82 vlg., voor het lied: „op de wijse: Het quamen dry koninghen enz.", waarvan de eerste strophe volgt:

Sluiten