Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikwijls niet anders beduidde dan „voornaam, weidsch": „conincshof" — een weidsche halle, „conincstrate" eenvoudig via regia, d;it is heerweg, openbare weg. Kan niet die later niet meer begrepen zegswijze de jongeren op het denkbeeld hebben gebracht, dat die namen de herinnering aan Willem den Roomsch koning bewaarden ?

Wanneer eenmaal de marktdrukte van de stad, het geklop van de werven, en het getik der weefgetouwen, de deftige stilte van den grafelijken hof ging verstoren, dan duurde het niet lang, of de graaf zocht andere verblijven, en vertoefde in zijn ouden hof in de stad niet anders dan voor staatszaken en feesten. Zoo ook hier: Aelbrechtsberg en den Haag werden de grafelijke lusthoven. De oude Steen te Haarlem verloor zijn waarde; de stadsmuur bood thans beter bescherming, als het noodig was. In 1359 verleende hertog Albrecht aan Jan van Schoten en zijn erven „de helfte van den toerne, die gheheeten is 's graven stien, onverdeeld staende ende geleghen is binnen Haerlem op die Spaerne ende oude grafte van Bakenesse". — Men denke niet, dat het enkel on de landelijke eenzaamheid was, dat de graaf huis en grond aan de stadsbewoners inruimde. Als stedelijk bouwterrein had die grond thans hoogere waarde gekregen dan als hofgrond. Het grootste gedeelte van Haarlem's bodem zal aan den graaf zelf hebben behoord. Andere deelen behoorden aan de edele geslachten, zooals het terrein, dat Simon van Haarlem in 1250 voor een klooster der Carmelieten bestemde, tusschen de Spekstraat en de Anegang gelegen, en dat, hetwelk Gerard van Tetrode in 1310 vermaakte aan het Sint Janshuis te Utrecht. De burgers, wier aantal voor verreweg 't grootste deel eenmaal door immigratie gevormd was, verwierven den bodem doorgaans niet in eigendom. De meest gewone en overal voorkomende vorm van stedelijk grondbezit in de

Sluiten