Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behouden ter wille van mijnen knecht David en mijne stad Jeruzalem" (1 Kon. 11 : 29 - 32).

Toen Jeremia, de boetprediker van Juda, de inwoners van Jeruzalem wilde doordringen van zijne innige, telkens luid verkondigde overtuiging, dat het beleg van de stad een strafgericht des Heeren was over hunne vele zonden en dat zij zich willig daaraan moesten onderwerpen in plaats van met den moed der wanhoop zich tegen de vijanden te verzetten, toen liep hij met een juk op den hals door de straten, om op aanschouwelijke wijze zijn volk te leeren, dat het lijdzaam 's vijands juk torsen moest als de tuchtroede des Heeren. Bij eene andere gelegenheid droeg bij een aarden pot. Eerst hield hij voor de saamgestroomde menschen een donderende boetpredikatie, om vervolgens den pot op den grond in stukken te werpen, met de woorden: „Zoo zal de Heer der heerscharen het volk en deze stad verbreken" (Jer. 28 ; 1'J).

Toen Jezus nog eenmaal zijnen leerlingen wilde betuigen, dat niet zelfzucht en eigenliefde, niet ijdelheid en hoogmoed in het hart zijner volgelingen mochten wonen, maar nederigheid en zelfverloochening. en dat dienende liefde het kenmerk van het godskind is, toen omgordde hij zich en goot water in een bekken en begon de voeten der discipelen te wasschen (gelijk altijd voor een maaltijd geschiedde, daar men blootsvoets liep, welk werk evenwel meestal door een slaaf werd verricht), droogde ze af meteen linnen doek, en hij zeide: „Gij heet mij Meester en Heer en gij zegt wel, want ik ben het. Indien dan ik, de Heer en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te

Sluiten