Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigszins vasten vorm. Maar deze week natuurlijk verre af van hetgeen de oor- en ooggetuigen zelf hadden meegedeeld. Uit die geschriften hebben de eerste evangelieschrijvers geput, rangschikkende, uitbreidende, veranderende, naar eigen goedvinden, waarbij het richtingverschil en de persoonlijke zienswijze der schrijvers mede een woord te zeggen hadden. De evangeliën leeren ons dus wat een schrijver uit de eerste of tweede eeuw des Christendoms tot zijne tijdgenooten aangaande Jezus te zeggen had. *)

Nu is, gelijk wij opmerkten, zulk een voorschrift en zulk eene formule als in Mattheüs l28: 19 wordt aangehaald, niet in den geest van Jezus. Wij vinden ze niet bij de andere evangelisten vermeld, en nergens waar in het N. T. van een doop sprake is, geschiedt die plechtigheid met deze formule. Verder zie men niet voorbij, dat het doopbevel voorkomt in de opstandingsverhalen, die voor ons een legendarisch karakter dragen; terwijl de uitdrukking „en des Zoons" eerst beteekenis had, toen algemeen Jezus van Nazareth als de messias, de zoon Gods, werd geëerd. Stelt u den nederigen Menschenzoon voor, zich zelf met dezen titel aanduidende, en plechtig voorschrijvende geene nieuwe leden in de gemeente op te nemen dan na onderdompeling bij het uitspreken der formule: „en des Zoons" !

Toen het nu den menschen duidelijk werd dat de doop niet door Jezus zelf was ingesteld, was daar-

*) Belangstellenden kannen aangaande de wording van deze bronnen voor de geschiedenis van Jezus veel wetenswaardigs vinden in liet vierde nummer der derde serie van Levensvragen, de bekende uitgave van de Hollandia-drukkerg te Baarn.

Sluiten