Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede voor velen aan die plechtigheid haar eigenlijke glorie en bekoring ontnomen. Verbindend was zij dus in geen geval meer. Aan het water meedeelende kracht toe te schrijven kon niet door den Protestantschen beugel; en bovendien, de leer van de erfzonde, door het waterbad af te wasschen, was verdwenen voor het heldere licht over Genesis '3 opgegaan, waar blijkbaar van een staat van reinheid en een zondeval geen sprake is. Voor dat doel was dus de doop niet meer noodig.

Met nadruk werd van vrijzinnigen kant verklaard: die besprenkeling met water is het nog niet, die iemand tot Christen maakt. Om een goed volgeling van Jezus te zijn is zij allerminst eene onmisbare voorwaarde. Ja vaak was een ongedoopte een werkelijk gedoopte, omdat hij vol was van heiligen geest, hetgeen niet van allen gezegd kan worden, die behoorlijk in de kerk ten doop zijn gehouden.

En wederom verminderde de waardeering van den doop. Het is er mee gegaan als niet het kerkbezoek. Oudtijds was het eene vaste gewoonte; het werd veelal beschouwd als een verdienstelijk werk, eenigermate zelfs als een verschuldigde hulde aan Onzen Lieven Heer. Terecht is daartegen opgekomen; niet op zichzelf is het kerkgaan goed, en van verdienstelijkheid kan geen sprake wezen; alleen is het van beteekenis wanneer de kerkganger heilbegeerig is, en iets meeneemt van preek, gebed, gezang, ter toepassing in zijn leven. In het kerkgaan zit het niet; godsdienstig zijn en de godsdienstoefening te bezoeken is niet een en hetzelfde. Toen is men gaan verslappen ; men meende „in Gods natuur", bij een goed

Sluiten