Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heersbeestje. Kijk eens wat heeft-ie 'n mooie vleugeltjes! En nou wil-te gaan vliegen!"

Een heel enkele maal wordt een, anders onzijdige, zaaknaam, door een mannelik voornw. aangeduid, wanneer het bewuste voorwerp de biezondere belangstelling opwekt, en vooral ook, naar het schijnt, wanneer het in beweging is.

Van een schip dat wegzeilt, van een kanon dat ondersteboven rolt, kan men soms horen: „daar gaat-ie." Van een horloge: Thij loopt meestal voor, maar tegenwoordig gaat-ie, nogal goed."

Onzijdig — Vrouwelik.

Hiertoe behoren de vrouwelike persoonsnamen die het lidwoord het voor zich kunnen krijgen.

Voorbeelden: Wijf, mens, meisje, kind (wanneer een meisje bedoeld wordt), hoofd (van een school), schepsel (in minachtende zin).

„Zie je dat wijf dat daar staat?" „Ja, ze loopt hier al een uur rond te drentelen."

„Hoe oud is dat kind?" „Ze is twee jaar."

„Dat meisje heeft haar zakdoek verloren."

vHet hoofd van de meisjeschool vraagt haar ontslag."

„Zie je dat schepsel?" „Nee." "„Kijk, die daar."

Vgl. verder de verkleinwoorden: dochtertje, boerinnetje vriendinnetje, onderwijzeresje, zusje.

„Ik hoop dat je vriendinnetje haar bezoek eens zal hervatten." — „Ken je dat onderwijzeresje?" „Meen je die met die krullen?"

Het betr. voornw. is hier niet altijd dat, maar gewoonlik die.

„Hij vroeg het aan zijn zusje die (ook dat) vlak bij hem stond." — „Mn nichtje, die laatst bij me was, heeft er me alles van verteld."

Zo ook: „Is dat z'n meisje die daar bij hem staat?''

Wordt echter het verkleinwoord voorafgegaan door het aanwijzend voornaamwoord, dan volgt nooit het betrekkelike die, maar altijd dat:

vDat nichtje dat bij hem logeert, is zeker niet ouder als

Sluiten