Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Wat uit die verschillen voortvloeit voor het onderwijs in zuiver schrijven (15) en lezen.

A) Bestond er geen verschil tussen de gesproken omgangstaal en de geschreven schrijftaal, dan was er voor iemand die geleerd had zijn taal zuiver waar te nemen en de klanken door de gebruikelike tekens weer te geven, geen onderwijs in zuiver schrijven nodig. Nu is dit wel het geval. Hij moet nog aanleren:

le de verschillen tussen de geschreven en de gesproken taal (spelling);

2e die tussen de konventionele schrijf- en de algemene omgangstaal. Meer in biezonderheden moet hij dus nog kunnen;

a) de rede in zinnen en deze in woorden ontbinden;

b) de woorden, zoals ze afzonderlik luiden, afbeelden volgens het vigerende spellingstelsel;

c) de woorden verdelen in lettergrepen volgens het systeem van de geschreven taal;

d) die afwijkende vormen kiezen die een gevolg zijn van het verschil tussen onigangs- en schrijftaal;

e) de afwijkende interpunktie aanbrengen.

B) Bij het lezen moet men, omgekeerd, van de geschreven schrijftaalvormen komen tot de gesproken omgangstaalvormen.

Iemand die de lettertekens kent en deze op het gehoor af tot woorden kan kombineren, moet, bij de bestaande toestand, nog aanleren:

a) de moeilikheden die voortvloeien uit de afwijking van het hoofdbeginsel van alle afbeelding van gesproken taal, als: cZ = t in vriend; sch ~ s in mensch; st ~ s in kistje-, v ~ f in veertig; inlassing van j in keien; die welke ontstaan uit het feit dat een zelfde letterteken verschillend wordt uitgesproken, b.v. e in: lezing, ben, narde.

b) bovendien die welke een gevolg zijn van de andere wijze van

Sluiten