Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfvertrouwen van de leerlingen bij de schriftelike gedachteuiting. Vooral zou daarvoor veel meer tijd gegeven moeten worden aan geval 8.

Inzonderheid echter neemt geval 7, de naamvals-n, heel wat van de tijd in de beide hoogste leerjaren in beslag, en daarom komt het me gewenst voor, — met voorbijgang van de andere gevallen — de biezondere moeilikheden die aan het juist gebruik van die n verbonden zijn, eens beknopt maar grondig uiteen te zetten.

De regel zelf ziet er zeer onschuldig uit: „men voegt in bepaalde gevallen een n achter sommige woorden vóór sommige zelfstandige naamwoorden." De nadere beschouwing valt echter niet mee: er zijn drie vragen te beantwoorden en de juiste beantwoording daarvan levert bij elk van die vragen eigenaardige moeilikheden op.

I. Welke woorden krijgen de naamvals- n?

Alle bijvoeglike woorden benevens die zelfstandige voornaamwoorden als wie en het betrekkelike die, welke de verbuiging van het zogenaamde sterke adjektief volgen. Aangebracht moet dus worden het begrip bijvoeglik woord. Maar — ten gevolge van ons stelsel van verbuiging, dat o.a. verschil maakt tussen de adjektieven die zelfstandig gebruikt worden voor personen en die waarbij dit niet het geval is — kan er moeilikheid rijzen bij de beantwoording van de vraag: is dit woord een bijvoeglik woord? (42)

Ten gevolge daarvan moeten in de school de volgende gevallen afzonderlik ter sprake komen:

a) de adjektieven, zelfstandig gebruikt voor personen. Ook:

b) de rangtelwoorden, benevens velen, anderen, beiden, dezen, b.v. die brave mensen, maar: de braven vinden hun beloning in zichzelf; velen vonden er de dood, maar: vele eersten zijn vaak de laatsten. Met het dubieuse geval enkele of enkelen van die soldaten.

c) de weglating van het substantief na het adjektief, b.v. er zijn op die school grote jongens en kleine, niet kleinen.

d) twee gevallen van de zelfstandig gebruikte bezittelike

3

Sluiten