Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijvers- en uitgeverswereld deelt. Bij zulk een complexen toestand komen gewoonlijk allerhande complexe — d.w.z. uiteenloopende, somtijds zelfs tegenstrijdige —belangen te berde.

De schrijversnatuur des heeren Priem trad natuurlijk aanstond:? in werking: als bewerker was er voor hem aan deze onderneming wel wat te verdienen; hier gold het niet, uit te geven, maar te ontvangen en dit laatste scheen onzen philantroop lang zoo moeielijk niet te vallen als het eerste. Want toen ook tegelijkertijd zijn uitgeversnatuur in werking moest treden, bleek . . . m'neer heelemaal niet te spreken te zijn. Ku weten wij alle wel — en de heer Priem wist dit nog veel beter dan ik (Zelle is hier z.g. aan 't woord) — dat boeken uitgeven ongeveer gelijkluidend is met geld uitgeven, en dat een uitgever zonder de allernoodzakelijkste middelen om ten minste de voorloopige uitgaven voor een boek te bekostigen, et*n nonsens, een volslagen nul is in de uitgeverswereld, en daarom had de heer Priem, die zich ten volle bewust was, geheel en al „eourt d'argeuf'.tc zijn, de onderneming, waarover met hem onderhandeld werd, als uitgever zelfs niet moeten aanvaarden. Maai', ik liet mij verbidden — nu óók eens ter wille van de hooggeroemde lilauterpie! — tee kende een contract met hem. waarin de verklaring werd opgenomen, dat in de voorloopige kosten der uitgave mijnerzijds zou voorzien « orden, waarna ik begon met hem honderd vijftig gulden ter hand te stellen voor den aankoop van het benoodigde papier, hieraan werd namelijk het allereerst behoefte gevoeld; om bijzondere redenen had ik als voorwaarde gesteld dat met het werk redelijke spoed zou gemaakt worden, en door hem honderd en vijftig gulden te overhandigen, stelde ik hem volgens zijn eigen overtuiging volkomen in staat om aan deze voorwaarde te voldoen; hij had f 150.— gevraagd en hij ontving f 150. Nas is het wel een allergrappigst geval, dat de -beruchte duitenkwestie ', waarover onze philantroop zoo smalend afgeeft op den heer Veldt en op mij, op den uitgever en den schrijver van .,D'' Roman van Mata-Hari", juist voor den heer Priem zelf de hoofdaanleiding is geweest van zijne ergerlijke houding in de>;e geheele zaak.

Deze is onnoozel genoeg geweest om te denken, dat wij niet in staat waren, achter de schennen te kijken, en volkomen onkundig waren van zijne relatiën en zijn crediet-waardigheid.

Ook ons, evenals het publiek, heeft hij gedacht een rad

Sluiten