Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32. Nehemja en Ezra.

1. Aan twee mannen vooral heeft het Jodendom zijn herstel te danken: aan Nehemja en aan Ezra.

Nehemja, die omstreeks 70 jaren na den herbouw van den tempel een aanzienlijk ambt bekleedde aan het hof van den peizischen koning Artaxerxes, en bij dezen vorst in hooge gunst stond, had door ooggetuigen vernomen van den treuïigen toestand, waarin de Joden te Jeruzalem verkeerden. Om daarin verbetering te brengen, vroeg en verkreeg hij van den koning de gunst als landvoogd derwaarts gezonden te worden. Zijn groote werk is geweest, dat hij de muren van Jeruzalem herbouwde en daardoor de Joden beveiligde tegen den moedwil hunner naburen. Ondanks den tegenstand, waarmede hij daarbij te kampen had — een tegenstand, zóo groot, dat de werklieden moesten arbeiden met het gereedschap in de eene en de wapenen in de andere hand — wist Nehemja door zijn groote geestkracht den ijver der zijnen zóo aan te vuren, dat het werk in weinige weken tijds werd volbracht. Nog in andere opzichten heeft Nehemja een grooten en goeden invloed geoefend. Tal van aanzienlijken wist hij te bewegen, dat zij aan hun arme schuldenaars hun schulden zouden kwijtschelden, waarbij hij zelf met de mannen van zijn gevolg het voorbeeld gaf. Ook in het behing van den godsdienst was hij werkzaam; hij heeft o. a. krachtige maatregelen genomen om op den Sabbat allen arbeid en handel te doen staken.

2. Tijdens het stadhouderschap van Nehemja kwam de priester Ezra aan het hoofd van een groote schare ballingen uit Babylonië naar Jeruzalem. Deze vooral heeft op den godsdienstigen toestand der Joden een machtigen invloed uitgeoefend. In zijn vurigen, maar bekrompen, ijver voor de zuiverheid van den JAHWE-dienst, was het zijn streven de Joden zooveel mogelijk af te houden van gemeenschap met andere volken. Zelfs heeft hij een poging gedaan om alle Joden, die met vreemde vrouwen getrouwd waren, te

Sluiten