Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geroepen, van zeiven op niets waren uitgeloopen, en gaf dus den raad de zaak der Nazareners aan haar eigen beloop over te laten. „Ziet toe" — zoo sprak hij — „wat gij gaat doen! Laat deze mensclien begaan! Want mocht dit plan of dit werk uit mensehen zijn, dan zal het vanzelf verbroken worden; maar is het uit God, dan zult gij het niet kunnen verbreken, en gij wordt nog bevonden tegen God te strijden . Deze wijze raad bleef niet zonder invloed. Gez. 265 : 1.

42. Een belangrijke strijdvraag.

Onder de eerste Christenen kwam weldra een belangrijke strijdvraag aanhangig; een twistpunt, dat niet kon uitblijven. Het gold de vraag of de joodsehe godsdienstwet, met haar vele instellingen en gebruiken, voor de Christenen van kracht bleef, al of niet? Was de wet thans vervallen? Waren de Christenen van haar vrij? Of bleven zij evenzeer tot hare nakoming verplicht? .. .

Dit geschilpunt was vooral hierom van zoo groote beteekenis, omdat daarin deze andere vraag lag opgesloten: Mogen ook de niet -Joden, de heidenen, toetreden tot de gemeenten der Christenen? Want bleef de joodsche wet vooide Christenen-uit-de-Joden verplicht, dan moest zij öok aan de heidenen worden opgelegd als een noodzakelijke voorwaarde tot toetreding. Het was echter alleszins begrijpelijk, dat de heidenen zich daaraan niet zouden willen onderwerpen en dus onherroepelijk zouden buitengesloten blijven.

Het verloop der jaren heeft dit punt van zelf opgelost. Het evangelie werd langzamerhand gepredikt buiten het joodsche land; de heidenwereld trad toe. Dat was niet te weerhouden. En toen weldra, in het jaar 70, de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de Joden verstrooiden — en met de Joden ook de joodseh-christelijke genieenten — maakte de macht der feiten als van zelve aan den strijd een einde. Tegenover het wassend heiden-christen dom was de invloed van hen,

Sluiten