Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kratiese geest, van de rechte Afrikaander, vooral als die onder de invloed staat van het Evangelie dat in zijn kerk gepredikt wordt. Hij zal de Eng. natie als zodanig niet haten, hoewel hij veel dat tot hun gebruiken en vooral hun politiek en hun handelwijze met ons volk behoort verfoeit, en, waar liet te pas komt, hun dat ook rondborstig zegt. Hij erkent, dat er onder hen evenveel goede mensen zijn als onder andere natiën. Hij wil van hen ook wel het een en ander dat wezenlik goed is overnemen ; maar hij bedankt er hartelik voor, zijn taal voor die van de Engelsman te verruilen; en nog meer beslist weigert hij Engelsman gemaakt te worden. Dat is een geest die elk verstandig mens moet billiken en eren; maar tot de naaper zal men gaarne zeggen, zoals een jonge Afrikaander het zo iemand toevoegde: „De rechte Afrikaander wilt gij niet wezen, de Engelsman kimt gy nooit wezen; nu zijt gij niemand!"

Wij moeten onze Eng. mede-kolonisten duidelik opnoemen al wat wij als onze rechten eisen, opdat zij niet behoeven te vrezen, dat er nog iets achter zit; maar hen dan ook doen gevoelen, dat wij menen wat wij zeggen, en hun geen rust zullen geven totdat wij 't hebben.

Gevoelt wellicht meer dan een onder de lezers dezer brochure zich geneigd om met een zucht te zeggen: Ach, is 't nu nog, ja zelfs na de laatste oorlog, nog nodig, Afrikaanders deze zaken zo op 't gemoed te drukken?! en zal 't dan maar nog altijd strijd kosten om onze rechten op dit gebied deelachtig te worden? Van de ene zijde beschouwd is dit wel teleurstellend, doch aan de andere is er veel dat ons niet alleen voor moedeloosheid moet bewaren, maar ons ook aanmoedigen moet. Wat de dwalingen en zwakheden van Afrikaanders op dit punt betreft, daarvan geldt hetzelfde als van zo veel dat in verband met de oorlog te betreuren was. Velen hebben toen hun volksgenoten bitter teleurgesteld; doch, als men

Sluiten