Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geld komt overeen met de jaarwedde van 25 of meer dienstjaren.

Het hoofdbestuur acht deze regeling veel billijker, vooral indifn daaraan verbonden worde de bepaling , dat het minimumwachtgeld bedragen zal / Ó00.—.

Het onbillijke van art. 39 ligt verder hierin , dat dit artikel den wachtgelder dwingt gedurende den tijd dat hij op wachtgeld staat, van half tractement te leven , want wat hij boven het wachtgeld verdient, wordt eenvoudig door het Rijk van dat wachtgeld afgehouden. Armoede lijden staat dus bij den op wachtgeld gestelde voor de deur of hij moet schulden maken en wel schulden, waarvan de delging hem onmogelgk wordt, als hij niet opnieuw wordt aangesteld. En dit alles geschiedt door omstandigheden, geheel buiten zijn wil. Hoe ouder hij is, hoe grooter zijn gezin wordt, hoe nijpender de armoede, hoe moeilijker het aanzuiveren der gemaakte schulden en toch kent de wet aan den jongen onderwijzer een even groot of liever een even klein deel van het salaris , gedurende denzelfden tijd als wachtgeld toe, als aan den 40 a 4 5-jarigen huisvader. Het Hoofdbestuur meent daarom nogmaals te moeten aandringen op verhooging der sis wachtgeld toegelegde bedragen en meent minder te vragen dan dj billijkheid eischt, als het verzoekt, die bedragen vast te stellen volgens de regeling in zijn adres genoemd.

Dat eerst inhouding van een gedeelte of van het geheele wachtgeld mag plaats hebben, als door bijverdienste of het salaris eener nieuwe betrekking het gezin weder over dezelfde inkomsten beschikken kan, spreekt even duidelijk , als dat het Rijk zich niet mag bevoordeelen , door, zooals thans gebeurt , den op half traktement gestelde te ontnemen , wat hij verdient in een nieuwe betrekking; en dat de Regeering niemand minder wachtgeld behoort te verzekeren , dan het minimum van f 600, waarvan volgens de wet een onderwijzer leven kan , is een zoo voor de hand liggende eisch der billijkheid, dat nader betoog hier overbodig geacht mag worden.

Eindelijk meent het Hoofdbestuur dat een termijn van drie maanden tusschen de aanzegging der op wachtgeldstelling en den ingang van het wachtgeld eer te kort, dan te lang is , om den getroffene eenigen tijd te laten, waarin hij zijn leven naar zijn veranderd inkomen kan inrichten.

Sluiten