Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er voor zijn eigenlijk doel, voor zijne eigenlijke roeping niets gewonnen was, iils Hij aan (le scharen brood gaf. Arbeidt niet om de spijs, die vergankelijk is, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven (Joh. 6 : 27), dat was zijne leuze, en moet ook de leuze der Zijnen wezen. Maar toch, heeft Hij niet tot tweemaal toe, op wonderbare wijze brooden en visschen vermenigvuldigd'? Heeft Hij niet onvermoeid trouw en barmhartigheid bewezen aan alle ellendigen? En was dat niet in overeenstemming met de genadige doeleinden, die God voor zijn volk had, reeds in de bedeeling des Ouden Verbonds? Opdat er geen arme onder n zij, zoo staat in de Wet geschreven (Deuter. 15 : 14), en onder de heerlijke dingen van Salomo's regeegeering wordt ook dit vermeld: dat Israël en Juda veilig woonden, eikonder zijnen wijnstok en vijgeboom (1 Kon. 4 : 2.r>). Dat was het ideaal voor liet volk van God. Dat ideaal is nooit geheel bereikt; ook in Salomo's dagen waren er armen en ellendigen in het land, maar het ideaal was het toch, en blijft het. ook voor de gemeente van Christus. Zij weet dat het volkomen in vervulling zal komen, als Hij wederkomt. en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komen zullen, maar ook zij heeft van haren God geleerd te bidden voor koningen en alle overheden, opdat wij een gerust en stil leven mogen leiden, in alle godzaligheid en eerbaarheid (1 Tim. 2 : 2).

Dat alles heeft de gemeente steeds gevoeld. Toen zij klein was, hadden de geloovigen alle goederen gemeen, en was er geen arme onder hen. Dat is later anders geworden. Ook deed zij geene spijzigingswonderen gelijk de Heer gedaan had. Maar de geest, waarin de Heer die wonderen gedaan heeft, is gebleven. Veelszins gebrekkig zonder twijfel; ook zijn er tijden geweest, waarin die geest dreigde te sterven, maar altijd is liet gebleken dat de geest des geloofs ook de geest der liefde is. Dat liet Christendom eene heerlijke macht is geweest, ook op maatschappelijk gebied, leert dan ook de geschiededenis. Het heeft de slavernij overwonnen, het heeft aan de vrouw eene nieuwe, hoogere plaats gegeven, liet heeft den arbeid geadeld, en wat de wereld van de barmhartigheid weet, en wat zij aan barmhartigheid doet, dat heeft zij van de gemeente van Christus geleerd.

Dat alles wijst ons dus op de roeping der gemeente. De maatschappelijke vragen, de maatschappelijke moeiclijkheden komen uit de zonde voort. En daarom kunnen die vragen eerst beantwoord, die nioeielijkheden slechts uit den weg geruimd worden, als de zonde overwonnen wordt, door niets anders dus dan door de boete tot God, en door het geloof, de hoop en de liefde, die op de boete volgen, die er de vrucht van zijn.

Ziedaar dus de roeping der gemeente, ook tegenover de maatschappelijke nooden. Luide moet zij allerwegen de roepstem doen hooren: Doet boete en gelooft aan het Evangelie! Zij moet eraan toe-

I

Sluiten