Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet groote nut zóó vast schijnt te staan, dat men tot de gebruikmaking er van met den sterken arm forceert . . . . maar nog vreemder aanblik moet het geweest zijn, den geharnasten strijder, met van moed fonkelend oog, te zien vechten tegen een vijand ... die er niet was. Ik had gesproken over „vaccinatie-dwang" .... de heer v. d. Bijllaardt verdedigde tegenover mij de vaccinatie, die ik niet bestreden had, en laadde daardoor ernstig de verdenking op zich, dat hij vóór vaccinatiedwang geen argumenten wint aan te voeren. Wel heeft hij getracht zich uit deze impasse te redden door de mededeeling, dat het afdeelingsbestuur hem een ander onderwerp had aangekondigd. Men had hem gezegd, dat ik de vaccinatie zou bestrijden. Maar het wil mij toch voorkomen, dat de heer v. d. Bijllaardt

lo had moeten begrijpen, dat ik voor een werklieden-vereeniging niet kón spreken over een wetenschappelijk vraagstuk, dat zóó diep ingrijpt, dat zelfs een deskundige als hij, slechts na opgeoflerde nachtrust in staat is het te bespreken.

2o nii het hooren van mijne lezing — ondanks allen spijt over zooveel tevergeefs verrichten nachtarbeid — zich had moeten bepalen tot het ontzenuwen van mijne argumenten.

Intusschen, deze ongeregeldheid zou nooit aanleiding hebben gegeven tot het onverkwikkelijke persdebat, dat zich tusschen den heer v. i>. B. en mij ontspon, wanneer deze zich overigens correct had gedragen.

Wat was echter het geval ?

De heer v. n. B., het woord verkregen hebbende, ving zijne quasi-bestrijding aan met mij een soort „verhoor" te doen ondergaan. Ik kreeg het onbehagelijke gevoel over me, als stond ik daar publiek gedaagd voor een rechter van instructie.

Op een ietwat arroganten toon (althans dien indruk maakte het op mij) stelde de geachte spreker mij een serie van vragen, eischende op iedere vraag onmiddellijk een afdoend antwoord. Gelukkig voor mij was de serie lang genoeg, om vóór het einde er van althans zoover van mijne ontsteltenis bekomen te zijn, dat ik de spraak terug kreeg en — overwegende het onbehoorlijke van deze wijze van doen — kon zeggen, (zij het ook met nog gealtereerde stem) dat ik weigerde op deze vragen te antwoorden. Te meer aanleiding bestond hiertoe, waar ook die vragen vielen buiten het besproken onderwerp.

Ik antwoordde derhalve niet, maar verklaarde mij gaarne bereid, op nader te bepalen tijd en plaats, mijn nieuwsgierigen opponent te bevredigen.

Sluiten