Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna een gevleugeld woord. Omtrent de beteekenis van de woorden „an den drentschen harde" zijn mij van deskundige zijde welwillend inlichtingen verstrekt. Ik wil hier even verklaren, dat ik ten behoeve van dit werkje verschillende personen heb geraadpleegd, telkens als ik mijzelf niet geheel tot een oordeel over een of ander punt bevoegd achtte. Steeds werd mijn verzoek vriendelijk ontvangen en mij al het licht ontstoken, wat ik behoefde. Het zij mij vergund aan allen, die mij hielpen, hierbij mijn dank te brengen.

Nu dan, „an den drentschen harde" zal wel niet anders beteekenen dan: „op den Drenthschen bodem." Wellicht bedoelde Rengers met „harde" slechts den meer stevigen bodem van het diluvium in tegenstelling met den meer weeken aard van de lage, veenachtige weilanden en de zeeklei, die men in de Ommelanden alom aantreft. Misschien denkt hij er niet zoo veel bij, maar bedoelt hij met dat woord alleen „grond." De landstreek tusschen „Eemss en Lauwers" heette volgens dien schrijver „hev kleine Friesland" en later „de vriesche umlanden". Die naam strekte zich dus blijkbaar uit tot aan den voet van den Hondsrug, dus tot vlak bij de stad en deze kon dus genoemd worden: „continens met vrieslant". Dit geldt dus zoo ongeveer in de jaren 1575 tot 1600. Het zag er toen in het Qoorecht stellig meer Drentsch uit dan thans, nu men minstens anderhalf uur van de stad af moet loopen om een stukje heide te vinden, waar brem en wollegras, dop- en struikheide en de welriekende gagel nog met handenvol te plukken zijn.

De stichting van Rome, aan mij als twaalfjarigen jongen op de Fransche school verhaald, heeft zulk een diepen indruk op mij gemaakt, dat ik later meende, dat elke stad op zeker oogenblik door zekeren stichter opzettelijk gesticht was. Maar als men over het ontstaan van Groningen leest, heeft het er soms wel wat van, dat ook anderen die voorstelling uit mijn jongensjaren bij zich dragen. Er is evenwel geen spoor van zulk een stichter te vinden. Integendeel. Het is eerder aan te nemen, dat Groningens kiem reeds duizenden van jaren geleden aanwezig was. Als men op de door Rengers ten Post zoo aardig omschreven ligging der stad achtgeeft, op een hooge en droge punt van het heide- en boschrijke Drenthe, van drie kanten onmiddellijk omgeven door de vruchtbare weiden van Friesland, dan zal het moeilijk vallen in het geheele Noorden van ons land een plekje aan te wijzen, dat meer geschikt was tot woonplaats van de alleroudste bezoekers dezer streken. Uit een allerprimitiefste ne-

Sluiten