Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

monumenten, die in karakter met onze steengraven overeenkomen, maar in materiaal verschillen, 2000 jaar vóór onze jaartelling' 2ijn ontstaan en aan „Noormannen" te danken zijn, die op Egyptische gedenkteekenen zijn afgebeeld. Deze Noormannen nu zijn uit noordelijker streken langzaam naar het zuiden gegaan en brachten de kunst, en men kan ook zeggen de gewoonte van, of de voorliefde tot het bouwen van steengraven uit onze streken mede. Daarom zouden onze hunebedden minstens 4000 jaren oud moeten zijn. Maar het is niet onmogelijk, dat hun stichting nog een paar duizend jaar verder in de oudheid opklimt.

Wisten wij nu maar uit geologische gegevens op te maken, wanneer het ijs, dat in den diluvialen tijd zulk een gewichtige rol heeft gespeeld bij de vorming der opperste aardlagen, voor het laatst het land heeft overdekt, om daarop voor goed te verdwijnen! Maar daarvoor ontbreekt elke maatstaf. Het is wel zeker, dat de hunebedden pas na dien tijd zijn opgericht. Immers, ware er na hun stichting, althans in Drenthe en omstreken, nog een ijstijd gevolgd en hadden dus geweldige ijslagen, elders op de hoogten gevormd en door veel jaren heen over de naburige landen voortgeschoven, opnieuw Drenthe bereikt en zich daarover uitgebreid, alle steenmonumenten zouden verdelgd en hun stukken verstrooid zijn geworden. Toen hier en in aangrenzende streken de laatste bedekking met landijs begon af te nemen, doordat jaar op jaar de aanwas in den winter werd overtroffen door de afsmelting in het warmere jaargetijde (een toestand, waarin sedert een 40-tal jaren de gletschers onzer Alpen verkeeren), toen de Hondsrug zich begon te ontblooten, toen Hunze en Drenthsche A geweldige beddingen hadden, door welke met langzamen stroom ontzaglijke massa's water zeewaarts gingen (nu zien wij meteen, welk een eerbiedwaardigen ouderdom die twee riviertjes bezitten!), toen verdween ook langzamerhand het dikke ijskleed, dat op den „Drenthschen harde" eeuwen had gedrukt, en kwam de gletscherbodem, de zoogenoemde „grondmorene" vrij. Deze bestond uit leem en zand, gedurende de opvolgende ijstijden, duizenden jaren, (op? en) in en onder het landijs aangevoerd, vermengd met groote en kleine brokken van de rotswanden, waartusschen het gletscherijs zich had voortbewogen toen het pas in de gebergten was gevormd. Alles kwam van die „moedergebergten". Bij de gletschers der Alpen en andere met sneeuw en ijs bedekte bergketens kan men dat medevoeren van steengruis, leem en zand nog dagelijks met eigen oogen aanschouwen. Die gesteenten zijn sedert het midden der vorige eeuw een voorwerp van studie geweest van vele geologen. Die studie heeft er toe geleid, dat men im Grossen und Ganzen de moedergesteenten van de meeste kan aantoonen

*

Sluiten