Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aquarelleeren.

Het kan den teekenaar nooit voldoende worden ingeprent, dat men waterverft met water, zelfs met véél water. Want 't lijkt meestal alsof de beginner watervrees heeft. En keurig, dat hij is! Hij durft het papier haast niet aan te raken en meent in vollen ernst, dat wat er eenmaal staat er voor nu en altijd blijven moet. Alsof men zou moeten buigen onder de nukken van het papier, terwijl er sponzen en Lyonsche kwasten bestaan.

Men kan in het aquarelleeren twee bepaalde richtingen onderscheiden, die ik zou willen noemen: kleuren en schilderen. Het .kleuren" spaart al wat licht is voorzichtig uit en gebruikt de kleuren zóó verdund, dat ze doorschijnend blijven.

Gouache. Het „schilderen" stoort zich daar niet aan en past de kleuren ondoorschijnend toe, hetgeen men ,gouaclie" noemt. Beide richtingen hebben elk voor zich prachtige resultaten opgeleverd; maar het meest aanbevelenswaard is ze te vereenigen en al naar behoefte van beide gebruik te maken.

Gekleurde krjjtteekening. In aansluiting met het krijt-

teekenen en als kennismaking met het waterverfteekenen, kan ik aanbevelen den omtrek in krijt met de hoofdkleur dun in te vullen. Boven in een hoek beginnend, strijke men met een groot penseel vol verdunde verf in horizontale vegen, zorgende ze steeds aan te sluiten en niet tweemaal over dezelfde plaats te gaan. Het teekenbord moet men schuin houden voor 't afloopen der verf. Onderaan ontstaat alsdan een dikke verflijn, die men opneemt met een even vochtig penseel. Als de verf goed droog geworden is, teekent men verder met krijt. "Witte glimlichten moet men sparen of met dekwit inzetten.

Papier. Voor 't aquarelleeren gebruikt men meest Whatmanpapier, dat glad en ruw verkrijgbaar is. Waar de verf bij andere papiersoorten er bovenop blijft, vereenigt ze zich met het Whatmanpapier volkomen en zuigt er geheel en al

Sluiten