Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan zou men wel het recht hebben om mismoedig of zelfs wanhopig ons af te vragen, waartoe wij dan altoos in dien cirkel moeten draaien, daar wij menschen in alle werelden, die wij kennen, toch eenmaal weer ten gronde moeten gaan, zoodat al ons denken en doen, waarmee wij onophoudelijk, gedreven door een onweerstaanbaren drang naar de nooit te bereiken volkomenheid, ons aftobben, heel en al ijdel is. Is deze onweerstaanbare drang naar hoogere ontwikkeling, die niet alleen in ons en in al het levende, doch overal in de natuur leeft, waarin onophoudelijk beweging is om de materie tot steeds hooger georganiseerde wezens samen te voegen, van af het aangroeiend atoom tot aan de melkstelsels — is de wil tot het goede, die als schoonste bloesem van dezen drang in den menschelijken geest ontkiemde en opwies, niet een vreeselijke ironie van den geest des heelals, die alles schiep alleen om het weer te vernietigen? Is ons bestaan niet doelloos en de smarten niet waard, die wij in den strijd met al de onvolkomenheden voortdurend te verdragen hebben — wanneer de heele wereld, waarin wij leven, zonder doel is?

En welk doel zou de wereld wel kunnen hebben? Dat wij ons in haar zouden verheugen? Of, om met de pessimisten mede te voelen, die hun vertwijfeling over het bestaan aan zulke beschouwingen ontleenden — dat wij eeuwig zouden lijden? Dat konden wij zoolang meenen, als de menscli nog met de aarde het middelpunt van het heelal was. Kopernicus echter, zoo zegt men, heeft ons terugverwezen naar ons niets. Wij weten, dat wij minder zijn dan de infusiediertjes, die bij duizenden in ieder dropje zeewater wemelen en dat het wereldgebeuren en het werelddoel zich evenweinig kan bekommeren over ons leed, onze vertwijfeling en ook om ons geluk, als wij het doen, wanneer onze voetstap duizenden van die allerkleinste wezens onbewust doodt.

Ja, is deze gedachte nog niet vreeselijker, niet meer neerdrukkend: dat wij niets meer zijn zouden dan

Sluiten