Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen te maken, werden ook de ooglijderessen naar Veenhuizen I overgebracht, en daar in afzonderlijke zalen verpleegd.

In den loop van 1888 is in den toestand weder verandering gekomen en is de vroegere stoomfabriek, later weezengesticht, daarna ooglijders-gasthuis, weder ingericht voor en in gebruik genomen als fabriek voor het derde gesticht en zijn de ooglijders gehuisvest in een afzonderlijke zaal in het hoofdgebouw van dat gesticht.

Men kon tot dien maatregel overgaan wegens het gering aantal ooglijders. Dat aantal is gering gebleven. Gewoonlijk zijn er slechts 28 a 30 lijdende aan allerlei oogziekten, voor wie plaatsing in de ooglijderszaal noodig is.

Een gebouw dat de herinnering aan een andere voorbijgegane toestand levendig houdt, is het vroegere Leprozen-gesticht bij Veenhuizen II.

Weleer werden daar lijders aan „lepra", meestal gewezen militairen uit Oost- en West-Indië afzonderlijk verpleegd, zoowel omdat, hoewel deskundigen de kwaal in onze luchtstreek voor niet besmettelijk houden, de onbesmettelijkheid toch niet vast staat, als bovenal omdat de aard der ziekte hen ongeschikt maakte om in de omgeving van andere mensehen te verkeeren.

De ledematen toch van zulke lijders worden, van de uiteinden uit, geheel vervormd, veelal saamgetrokken, verwrongen en gevoelloos. Somwijlen vallen vingers en teenen bij gedeelten af.

Eigenlijk pijn schijnen zij niet of althans weinig te lijden. Hoewel hun ziekte ongeneeslijk is en zij een zekeren dood na een treurig leven voor oogen zien, waren de twee, die de heer Brinkgreve er bij zijn

Sluiten