Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieid van zijn natuur en aanleg, maar zij verloochent geen seconde lang zijn karakter." 1

Schaepman heeft Da Costa wel zijn „meester en heer"2genoemd, vooral in de eerste jaren. Maar hij neemt toch in de Nederlandsche letterkunde een superieure, volstrekt eigenaardige plaats in, de plaats eener „krachtige persoonlijkheid, ten volle man op zyn dag".3 Hij is en blijft de Noord-Xederlandsehe dichter van de tweede helft der 19e eeuw, die allermeest op zijn katholieke landgenooten een bezielenden invloed heeft doen uitgaan in wellicht onberekenbare mate.

Dezen lof althans zal de geschiedenis den dichter Schaepman nooit onthouden, denzelfden als Brandt aan Tondel gaf: „Zijne Roomscheit hadt zijn liefde tot den Staat en de vrij heit niet vermindert, 't geen hij doorgaans in zijne vaarsen liet blijken." En evenmin die andere lofspraak, door Dr. W. Jonckbloet aan Neêrlands oudsten en aanzienlijksten poëet toegekend: ..Hij stelde het levendigste belang in al wat er grootsch of treffelijks gebeurde, vooral in zijn vaderland.... En als een echt Dichter had hij er behoefte aan, wat in zijn binnenste omging in zangen uit te storten, niet slechts voor zichzelf, maar voor geheel zijn volk."

In zooverre was Schaepman een waardige nazaat van Joost van den Vondel en blijft ook voor hem de onsterfelijkheid niet twijfelachtig:

Maar uit het lied, dat in uwe echo fluistert

Straalt ons het licht, nog door geen nacht verduisterd.

Van Holland's trouw en Room«chen adeldom. 4

Naar de meening veler bevoegden staat Dr. Schaepman als prozaschrijver hooger dan als dichter. Zijn eerste lauweren als stylist behaalde bij door zijn gloedvolle brieven uit Rome aan De Tijd, waarvan boven reeds melding werd gemaakt. In hetzelfde dagblad schreef hij, na zijne vestiging te Rijsenburg,

1 Over de poëzie van Paus Leo XIII p. XII—XIII.

2 Verz. Dichtiv. XXIV.

3 W. G. van Nouhuys in De Amsterdammer van 25 Jan.

* Nieuwe Gedichten 168.

Sluiten