Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EINDE.

I)c Dood trad op hem aan met wankelenden tred,

Des levens glorie scheen den stervende te omzweven:1

met deze dichtregelen van Schaepman kunnen wij zijn laatste paar levensmaanden wel het best karakteriseeren.

Langzaam maar zeker kwam een verraderlijke ziekte (diabetes) zijn ijzersterk gestel ondermijnen. En de oude kwaal, die hem reeds voor dertig jaar dreigend had aangezien, toen I)r. Thijssen te Arnhem waarschuwend tot hem zei: „Cave cor, pas op uw hart", kwam al naderbij met haar laatste, doodelijke omhelzing.

Hij, die vroeger nooit vermoeienis kende, begon zich nu moede, afgemat te voelen. Reeds vroeger, op de Centrale vergadering der R. K. Kiesvereenigingen van zijn district, te Utrecht 14 September 1901, verklaarde hij, als Kamerlid te willen aftreden by zijn zilveren jubilé. Omstreeks dienzelfden tyd schreef hij aan een vriend, over een minder aangename zaak hem niet meer lastig te vallen: „want de enkele jaren, die ik nog te leven heb, verlang ik naar rust."

Wanneer een werker en strijder als Schaepman naar rust verlangt, dan is zulks een duidelijke voorbode van het naderend einde. Almeer drong het bange voorgevoel zich op; in Augustus jl., ofschoon toen nog betrekkelijk welvarend, liet hy zyn uiterste wilsbeschikking maken.

Wat onder welingelichten reeds heimelijk werd gefluisterd: „De Doctor raakt op, versleten", werd helaas nog sneller bewaarheid dan men duchtte. Sinds de plechtige opening der Staten-Generaal, op Dinsdag 16 September, bleef hij sukkelend te Rijsenburg achter; de Tweede Kamer zou hem niet wederzien.

Nag één lichtstraal van hoop flikkerde in hem op: te Rome, waar hij voorheen „als naar een bad van verjonging zoo dikwyls was heengesneld",2 zou allicht zijn geknakte gezondheid nog eenigszins kunnen herstellen. Anders zou hij daar sterven.

1 Nieuwe Gedichten blz. 14.

* Woord en Beeld t. a. p.

Sluiten