Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Maar die iemand had er evenveel recht op als wij, zus,« zei Wouter. »We moeten nu maar probeeren er eenige te vinden die nog door niemand anders zijn opgemerkt.«

«Dat zal moeielijk genoeg zijn,« meende Robert, »of we moesten een plek vinden waar niemand nog geweest is, althans niet pas. Ik geloof, als we op 't Rotseiland konden komen, dat we er dan méér zouden vinden dan we dragen kunnen. Kijk, het is juist eb en de rotsen steken alle boven water uit.«

»Nu, laten we traan,« zei Wouter; »daar 1 iirt de

O ' ' ö

boot van Jonas de visscher; we kunnen die ter leen vragen en naar Rotseiland roeien ; het is niet heel ver.«

Jet vond dat heerlijk, en Robert zag er geen bezwaar in. Ze kregen van Jonas zijn boot ter leen, en daar beide knapen flinke roeiers waren, kwamen ze gauw op 't Rotseiland aan. Robert bond de boot aan een grooten steen vast, en daarna begonnen ze met hun drieën om het hardst schelpen te zoeken.

Zij vonden er heele mooie en zeldzame, die ze in de boot legden. Jet zei dat ze nooit zulke mooie gezien had. »Wat zal moesje blij zijn met al die schelpen,« zei ze, «vooral omdat de een nog al mooier is dan de ander!«

Midden in het eilandje was een indieping, die altoos vol water stond. Daarin zaten twee krabben, die er bij den vorigen vloed waren ingeraakt en er bij de

Sluiten