Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overtrekken overbrengen op het voorste. Ik deed dit niet stippellijnen, zoodat de gestippelde figuren telkens den stand na de draaibeweging aangeven. Aan de hand van deze verklaring zullen, naar ik vertrouw de verschillende figuren die ik u zal voorleggen, aan duidelijkheid niets te wenschen overlaten.

1°. DE ORTHALE BEWEGING.

In liguur I heb ik de kaak laten draaien om een as, gaande door 't midden der condyli, dus om een punt, dat in 't midden der projectie van den condylus is gelegen.

We weten reeds van te voren dat deze beweging een tegennatuurlijke is, daar de condylus bij 't openen van den mond niet op zijn plaats blijft, doch verschuift.

De teekening toont reeds bij den eersten oogopslag aan, hoezeer deze beweging met de werkelijkheid in strijd is. Men zie slechts hoe sterk zich de snijtanden naar achteren verplaatst hebben.

In liguur 2 is tot draaipunt het door H y r t 1 veronderstelde punt genomen, gelegen in liet foramen infra-maxillare. Ook hier zien we onmiddellijk dat deze beweging onmogelijk is. Wel is de verplaatsing der snijtanden in achterwaartsche richting niet zoo groot, doch de enorme verschuiving die de condylus ondergaat oni den mond geheel te openen, zou niet plaats kunnen hebben. De condylus zou met het tusschen kraakbeen reeds bij veel minder ver geopenden mond tegen de gewrichtspan stuiten.

Blijft dus de vraag: is er een weg te vinden om het juiste draaipunt te bepalen?

Dat de kaak draait bij de orthale beweging ligt voor de hand, waar bij 't openen van den mond de condylus zich naar voren en de kaakhoek zich naar achteren beweegt.

Om tot de bepaling van 't draaipunt te geraken mat ik de verplaatsing van twee punten der onderkaak bij 't openen van den mond, en wel van een der raakpunten van onderste

Sluiten