Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de bewoners der Aleoeten-eilanden was hieromtrent eene legende in omloop, waarin de herkomst dezer zeebewoners, of althans hunne vergaderplaatsen als zeer nabij de Noordpool werd gedacht. Dit gaf den man, wiens naam aan de ontdekking werd gegeven, aanleiding tot een tocht naar het Noorden en hij nam in 1786 bezit van deze eilanden uit naam van de Russische regeering. Hij ontwaarde de rijke buit, die hij tevergeefs trachtte geheim te houden.

Deze eilanden nu, vooral het grootere St. Paul en kleinere St. Georgc, die met hun vlak-glooiende basalten, schier onbeaarde strandplaatsen, d. w. z. hun natuurlijke robbenbanken en hun natmistigen dampkring, zoozeer aan alle voorwaarden voldoen, bleken, toen Pribylow ze voor Rusland in bezit nam, onbewoond te zijn. Hij vestigde er dus eene kolonie van gewillige Aleoeten, die gedurende drie maanden van het jaar het dooden, villen en verzorgen der huiden voor hunne rekening moesten nemen en den overigen tijd, slecht verzorgd als zij waren, maar rijkelijk van rum voorzien, pretmakend hun dood mochten verhaasten, met zulk gevolg, dat hun aantal voortdurend moest worden aangevuld. Zij werden, al behoefden zij slechts enkele maanden van het jaar te werken, niet veel anders dan als slaven behandeld.

Tot in 1870 woonden zij in allerellendigste hutten, half onder den grond, maar in dat jaar, gingen de eilanden in erfpacht over aan de Alaska Commercial Company van San Francisco, die een andere orde

zeer weinig bekend toen H. W. Elliott in 1872—1876 deze eilanden voor zoölogische navorschingen bezocht. De meeste bijzonderheden, die thans in bijna alle zoölogische werken betreffende deze dieren voorkomen, hebben wij aan zijne onvermoeide onderzoekingen te danken.

Sluiten