Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pluym.nl. door den heer Sterck, uit de gesch der Heilige Stede.

keeren wij r,u terug tot ons uitgangspunt : het zwijpen van Be ka.

Pluym, dit willende verklaren, begint met een betoog dat deze zijn werk eindigt met 1346 - wat niemand betwist'- en gaat dan voort. „Nu is de vraag : Kon Beka van het wonder „van Amsterdam gewag gemaakt hebben ? Strikt genomen „ja. Maar in het plan, dat hij bij het eindigen van zijn „Chronicon gevolgd heeft, kwam dit niet te pas. — Bij het „inzien daarvan is het duidelijk, dat het slot van hetzelve „in verband staat met de opdragt; (52) want in het laatste gedeelte van zijn werk, van 1345-j 3,6, spreekt hij alleen van den bisschop van Utrecht en den I'alsgraaf Willem, nadat hij melding heeft gemaakt van den dood van Willem IV het vervallen daardoor van het giaafschap Holland aan het voomsch Keizerrijk en de benoeming van Margaretha, zuster van \\ illem IV, tot Gravin (53), die eindelijk het bestuur dezer landen aan haren zoon opdraaft.a

Het tijdvak, waarin Beka alleen over Willem V en bisschop Jan handelt, begint dus volgens I'l. met den sterfdag van Willem IV, 26 Sept. 1345 ; d i. een halfjaar na het wonder. Maar bovendien: schreef men in de 14e eeuw pragmatische geschiedenis? Wanneer een schrijver zich ook voornam (PI. zou moeilijk kunnen bewijzen, dat Beka dit gedaan heeft) om met een bepaalde gebeurtenis te eindigen, vermeldde hij dan toch niet alles, wat er vóór dien belangrijks was gebeurd ? hn zou Beka, die de wonderen van Sint Aelbrecht en Sint Jeroen in 't grijs verleden zoo uitvoerig vermeldt, een wonder bijna onder zijne oogen gebeurd, niet belangrijk hebben gevonden ? Of had hij redenen om er over te zwijgen ? Wij kunnen ons begrijpen, dat een Dominikaan zwijgt over een Mariawonder; maar wat kon den Benediktijn en'lateren Ka nunnik Jan van der Beka nopen om te zwijgen over een hostiewonder ?

io2) Aan Willem V 011 bisschop Jan v. Arkel 11.1.

(53) Do lir. PI. verwart benoeming mot veriy, boloeniug.

Sluiten