Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het stilzwijgen van Beka is dus genoegzaam opgehelderd", zegt PI. verder, „en kan zelfs niet als negatief bewijs tegen de waarheid der gebeurtenis worden aangevoerd."

Als er morgen een oorkonde wordt ontdekt, niet bij stukken en brokken uit gedrukte boeken opgevischt, maar in originali: perkament, schrift, stijl, taal, namen der handelende personen, dagteekening en zegel, alles in orde, die een groote jodenslachting te Amsterdam in 1345 vermeldt, (54) zullen dan niet de schrijvers van gelijke richting als de heer Pluym éénstemmig het zwijgen van Beka aanvoeren als afdoend bewijs van de valschheid dier oorkonde?

En Beka is niet de eenige, die zwijgt.

In de kroniek van den Heraut, die tot 1348 loopt (15) staat va" het Sacrament van Amsterdam geen woord. En schr. was heraut van Beieren in dienst van graaf Willem VI; hij leefde dus in den Haag ; zou hij van zulk een wonder niet gehoord hebben ? Zou hij de sproke van Willem van Hildegaersberch niet gekend hebben, allerwaarschijnlijkst voor zijn heer en diens hof 't eerst gezongen ? In 't Leidsche hs. staat bovendien; 10. een gravenkroniek (f79vso) die er ook niets van weet; 20. „annales contractiores," die ondanks dezen naam het sneuvelen van Willem IV in 1345 uitvoerig beschrijven ; maar van 't wonder, dat in 't zelfde jaar moest gebeurd zijn, wéér niets zeggen.

Een ander hs. der Leidsche Bibl. (B P L 55 papier) bevat een „Chronicon ab Adam", in 't bisdom Paderborn opgesteld ; en wel juist van 1345 af u't verhalen van ooggetuigen (56) ; op 1 Juni 1418 voltooid. Het werk wemelt van

(54) "Waartoe de Saer.;mentswonderen nog al eens aanleiding gaven : Anno C1CCCC en LXX doen bernde men die Joden te Brussel van den H. Sacramente opten Ascensioens avent (d. i. daags vóur Hemelvaart); aldus de Bredascho Kroniek, Matth. Anal. 151.

(55) ITs. dor Leidsche Univ. Bibl. B. P. L. 76 C. F. (Cat Geel 671). Kon. Bibl. 823. 't Laatse hoeft tot opschr.: „Chroniken van Adam tut 't jaer ons heren 1348." Beide hs. zijn dus volledig, wat het slot aangaat. SchutjesIII 253.

(56) f 143, K. 2: Ea que hucusque conscripsi fere omnia ex libris

Sluiten