Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

atoom inderdaad zóó in opschudding kan brengen dat ook de niet resoneerende electronen sterk gaan bewegen. De natriumdamp bevond zich op betrekkelijk lage temperatuur en zond geen licht uit. Werd nu een bundel enkelvoudig licht, van een bepaalde golflengte, er op geconcentreerd, dan zond de damp wèl licht uit. Het spectrum van het fluorescentielicht was echter niet doorloopend, zooals bij vaste en vloeibare fluoresceerende lichamen meestal het geval is, doch vertoonde een reeks van lichte lijnen. Deze waren te danken aan eigen perioden van electronen in het natriumatoom, want zij correspondeerden met enkele van de lijnen uit het zeer ingewikkelde absorptiespectrum van den damp. Hoogst merkwaardig was nu echter het volgende resultaat. Wanneer voor den bestralenden bundel licht van een andere golflengte gekozen werd, bestond ook het tluorescentiespectruin uit een geheel ander stel van heldere lijnen dan zooeven. Ook dit nieuwe stel paste weer bij een gedeelte van het absorptiespectrum. Er was blijkbaar uit het zeer groote aantal trillingsperioden die binnen het natriumatoom mogelijk zijn, door de tweede bestraling een andere keuze gedaan dan door de eerste. Sommige stralensoorten wekten in het geheel geen fluorescentie bij den natriumdamp op.

Treft dus de invallende stralenbundel een resonator aan in het atoom, dan komt dit electronenstelsel in opschudding en zendt daarbij een bepaalde groep van andere golven uit, verschillend naar gelang van de periode der impulsie.

Wat hier voor natriumdamp is geconstateerd, mag waarschijnlijk als algemeen geldig worden beschouwd. Door tusschenkomst van de atomen kan licht van een bepaalde golflengte worden omgezet in licht van andere golflengten.

Sluiten