Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van socialistische zijde te verwachten was. De twee groote onderwerpen hier aangestipt: het ontstaan, de geschiedenis van de burgerlijke vrouwenkwestie, hare principieele ontwikkeling en de studie van den vrouwelijken loonarbeid, vindt men in het werk van Lily Braun voor de eerste maal op deze wijze en met zoo groote uitvoerigheid behandeld. Een deel ,waarin de ethische en psychologische onderwerpen en de juridische vraagstukken worden behandeld, zal volgen. Daargelaten de methode: reeds om de uiterlijke volledigheid is het werk van Braun eenig. Indien over alle onderdeelen een groot getal geschriften bestonden, er bescond niet een enkel geschrift over het geheel.

Op den inhoud vooruit te loopen kan, overigens, het doel van deze regelen niet zijn. Ik wilde van de mij toegestane ruimte ten slotte gebruik maken om mijne van de schrijfster eenigszins afwijkende meening ten aanzien van één punt kortelijk te betoogen. Het betreft de vraag van het vervangen van den mannelijken door den vrouwelijken loonarbeid, door Mevrouw Braun behandeld in het vijfde hoofdstuk van de tweede afdeeling. Ik meen dat in hare voorstelling van dit verschijnsel de kapitalistische strekking niet geheel duidelijk is weergegeven. Gedeeltelijk is het een verschil van woorden, maar er komen ook getallen bij te pas, die m. i. een andere beteekenis hebben dan de door Braun gewilde.

Wat de woorden betreft is het een onderscheid tusschen verschuiven en verdringen. „De sterke aanwas van den proletarischen vrouwenarbeid," zegt de schrijfster, „wordt bijna altijd met een verdringing van den mannenarbeid in verband gebracht"; terwijl inderdaad „uit de statistiek blijkt," „dat in het algemeen van vervangen van mannen door vrouwen nauwelijks sprake kan zijn, en het veeleer verschuivingen geldt." (Duitsche tekst bl. 250 en 251).

„De volgende tabel", lezen wij verder, „strekke tot bewijs." — Welke is nu deze tabel en wat geeft zij te kennen? Zij is ontleend, ook blijkens een noot, aan de bekende artikelen van H. Rauchberg over de uitkomsten van de laatste Duitsche beroepstelling in „Brauns Archiv für soziale Gesetzgebung und Statistik." Reeds in een dier opstellen had deze statistiek mij getroffen als een voorbeeld van het gemak waarmeê somtijds in het cijferbeeld gelezen wordt, wat men gaarne zou zien in de werkelijkheid. (Dl. XV, bl. 336.) De schrijver wil nl. bewijzen dat de snelle toeneming van vrouwenarbeid in het tijdvak 1882—95 niet ten koste van de mannen is gebeurd. De vrouwen zijn bij het arbeidsleger ingelijfd nadat alle of bijna alle mannen reeds te werk waren gesteld, meent hij. Vrouwen in eenig beroep werkzaam, alle soorten en rangen bijeengerekend, (Erwerbsthatigen) zijn met ruim een millioen

Sluiten