Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het aantal der arme vrouwen die met haar arbeidskracht haar lichaam verkoopen moesten. Hoe hard echter ook het lot der als dienstmaagden of slavinnen in strengen dienst tot haren meester verkeerende vrouwen was, een merkbaar onderscheid met het lot der gegoede en rechtmatige echtgenooten was niet aanwezig, het vrouwelijk geslacht als geheel stond in gelijke mate laag.

Tegenover de Oosterlingen zijn wij gewend de Grieken voor de - v , vertegenwoordigers eener aanzienlijk hoogere beschaving te houden.

Nemen wij evenwel de positie der vrouw tot maatstaf voor ons oordeel, dan moet het geheel anders luiden, want deze vertoont, naast nauwelijks merkbaren vooruitgang, zelfs belangrijken achteruitgang.

Het gezin was in het Oosten een staat op zich zelf geweest, de vader was daarin de patriarch, de koning. Het werd in Griekenland haast zonder beteekenis, want de staat nam vele van zijn gewichtigste functies over; de vader was niet meer heerscher, doch onderdaan, zijn burgerplichten onttrokken hem volkomen aan zijn huiselijkheid, zijn leven als wetgever, soldaat, advokaat, filosoof en kunstenaar speelde zich af buiten het huis, waar hij de bezigheden en plichten uitsluitend overliet aan de vrouw en de slaven. Zij waren een vrijen man onwaardig en werden des te meer verachtelijk, naarmate de slavernij zich tot een belangrijken factor in het sociale leven ontwikkelde. Terwijl de Oosterling,

in het bizonder de Israëliet, in den arbeid geen schande zag en het fokken en hoeden der kudden tot zijn plichten behoorde, terwijl het zwaartepunt van zijn leven in zijn gezin, zijn bezit lag, en de vrouw hem daardoor, trots alle onderdrukking, menschelijk nader stond, zonk zij in Griekenland volkomen tot in de rijen der slaven.

Zij was, evenals in het Oosten, het willoos eigendom van den man. De vader, evenals de voogd, konden haar aan wien zij wilden tot vrouw geven; de man kon haar wegschenken of verruilen; bleef zij onvruchtbaar, dan gold het als een vergrijp tegen de goden, als zij niet verstooten werd. De plicht om, met het doel wettige kinderen te telen, het huwelijk te sluiten, werd door den staat den mannen opgelegd; ') door Solon's wetgeving werden de ongehuwden aan straf onderworpen. Want nog waren de landen slechts dun bevolkt en van den aangroei van het aantal flinke burgers hing het bestaan en de welstand van den staat af. Daarom bemoeit zich de wetgeving van die periode der geschiedenis op een zoo ingrijpende wijze met het vraagstuk der volksvermeerdering.

De monogamie was wet. De man mocht maar één wettige vrouw hebben; het aantal konkubinen die hij er bij hield, was echter onbeperkt,

1) Zie Plato's Gastmaal. In de vertaling van Schleiermacher (Berlijn 1824) blz. 416.

Sluiten