Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was treurig. Dus kan het geen verwondering wekken als nood, verlangen naar geluk en dorst naar vrijheid, scharen van armen en onderdrukten in den dienst van de godin der liefde dreven. Geheiligd door den godsdienst, bevorderd door nood en onderdrukking — zoo ontstond in de oudste tijden de prostitutie. Zij groeide aan met de uitbreiding der slavernij — nagenoeg alle bekende hetaeren waren oorspronkelijk slavinnen — en won in aanzien en beteekenis, hoe lager de plaats van het vrouwelijk geslacht in het algemeen was. Haar bloeitijd beleefde zij in Griekenland, toen kunst en wetenschap op hun hoogtepunt stonden en de cultus der schoonheid den godsdienst bijna verving.

Gaarne trad de mooie slavin, op wie het bewonderend oog des gebieders gevallen was, uit het enge, bedompte gynaekonitis met zijn eentonigen arbeidsplicht, naar buiten op de openbare markt, om door dichters bezongen, door kunstenaars geschilderd en gebeeldhouwd, door het volk vereerd te worden. En die vrouwen wier levendige geest zich door het afgesloten leven niet liet dooden, in wier vertrek een schemer van den glans der grieksche beschaving verlokkend binnendrong, betraden dikwerf genoeg den eenigen weg die haar openstond, want alleen de lichtekooi was in Griekenland een vrije vrouw, die haar liefde volgen, die aan de hooge geesteskultuur van haar vaderland persoonlijk deelnemen kon. ') De geliefde van Perikles, Aspasia, de leermeesteres van Sokrates, Diotima, de leerlinge van Plato, Lastheneia, die van Epikuros, Leontion, ontnamen aan het grieksche hetaerendom den smetnaam van een eerloos bedrijf en verhieven de hetaeren in de oogen der grootste mannen boven de huisvrouw, wier geestes- en gevoelsleven kunstmatig onderdrukt werd.

De geschiedenis weet van geen enkele grieksche vrouw te verhalen, die in opstand gekomen is tegen zedewetten, welke als loon op de vrouwelijke deugd duurzame gevangenschap, en als straf op ondeugd vrijheid stellen. Uit de ziel der grieksche vrouwen spreekt Goethe als hij zijn Iphigenia laat zeggen: „Der vrouwen noodlot is beklagenswaard", maar in werkelijkheid bezat het vrouwelijk geslacht in het zonnige, roemrijke Hellas geen priesteres die woorden gaf aan zijn stomme leed. Slechts den grootsten denkers der natie, Plato en Aristoteles, schijnt het tot bewustzijn gekomen te zijn, dat de positie der grieksche vrouw een onwaardige was. Wie Plato's uitspraken als b.v.: „Zoo hebben dus man en vrouw denzelfden aard, krachtens welken zij geschikt zijn ter hoede van den staat", en: „de ambten (in den staat) zijn aan vrouwen

1) Zie W. E. H. Lecky, Zedengeschiedenis van Europa. In de vertaling van Dr. H. Jolowicz, 2de druk Leipzig 1879, blz. 242 en vlgg.

Sluiten