Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Het christendom en de vrouwen.

Terwijl Rome op het hoogtepunt zijner uiterlijke macht scheen te staan, innerlijk echter door de sluipende ziekte van het algemeen bederf zoo doorvreten werd dat zijn ineenstorting weldra te wachten stond, was boven Bethlehem, te midden van het geknechte, gesmade jodenvolk, die ster opgegaan, door welker glans Rome tot nieuwe

wereldheerschappij herrijzen zou.

Het is hier niet de plaats om den innigen samenhang van het ontstaan van het christendom met de economische en politieke verhoudingen van den tijd waarin het zich uitbreidde, nader te behandelen. Het moest snel buiten den kring van het arme volk, waartoe zijn stichter behoorde, uitgroeien, wijl in het romeinsche rijk de bodem er overal voor ontvankelijk gemaakt was. De filosofen waren met zijn denkbeelden gedeeltelijk reeds vertrouwd; Plato had reeds van den evenmensch als broeder gesproken; de stoïcijnen leeraarden de verachting voor aardsche goederen en waren de eersten geweest die verklaarden dat de mensch ook jegens zijn slaven moreele verplichtingen heeft te vervullen. En gedrukten en beladenen waren er meer dan genoeg; voor hen allen was het christendom het reddingsanker, dat hen boven hun eigen ellende verhief, de straal der hope die hun nacht verlichtte. Het was niet die vage hoop der latere christenen, die van de eeuwige zaligheid de schadeloosstelling voor hun aardsche smarten verwachten, maar het zeker geloof aan het naderend einde der wereld, aan de terugkomst van Christus en aan de stichting van het duizendjarig Rijk. Onder al de armen en ellendigen die toestroomden, bevonden zich ook in scharen die meest geplaagden aller menschen, de vrouwen. Haar bracht het christendom naast troost en hoop die het allen onderdrukten bracht, nog iets geheel afzonderlijks: De gelijkwaardigheid van de vrouw met den man als moreel wezen, als „kind van God.

Zoowel de orthodoxe aanhangers van het christendom als zijn fanatieke verachters zijn, in zoover zij voor de ontvoogding der vrouw opkomen, van ander inzicht. De eersten beweren, terwijl zij het woord van den apostel Paulus: „Daarin is noch Jood noch Griek ; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw," ') uit het verband rukken, dat het christendom zich hierin voor volkomen gelijk recht voor de vrouwen verklaart; de anderen baseeren zich op deze

1) Galaten 3 vs. 28.

Sluiten