Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pleegden hen onderling uit te ruilen om tot een gelijkmatige verdeeling der geslachten te komen en door het vermijden van huwelijken onder bloedverwanten een krachtige nakomelingschap te verkrijgen. Ieder heer had het recht het huwelijk eener horige vrouw met den horige van een anderen heer te verbieden '), of het slechts dan toe te staan, wanneer in plaats van de arbeidskracht die voor hem verloren ging, hem een andere geleverd werd. Mettertijd ontwikkelde zich daaruit een zekere belasting, die een soort van uitkoopgeld uitmaakte. Onder de Karolingen kon de heer de horige vrouw, in geval hem niets betaald en geen vergoeding voor haar gegeven was, met geweld aan haar man ontrukken, 2) hetgeen meestal dan geschiedde, als zij eenige kinderen had, waarvan hij de helft van het aantal met de moeder tot zijn dienstbaarheid kon dwingen. De heiligheid en onontbindbaarheid van het huwelijk werd slechts in zooverre erkend, als de heiligheid van den eigendom -daardoor geenerlei schade leed.

De arbeidskracht der vrouw werd bizonder hoog geschat, want de 'zwaarste en noodzakelijkste arbeid drukte op haar. De geestelijke en Wereldlijke heeren hadden op hunne burchten, hoeven en kloosters uitgebreide werkplaatsen, waarin vaak tot 300 horige vrouwen met spinnen en weven, naaien en borduren, bezig gehouden werden. 3) De grondstof gaven niet alleen het scheren der schapen en de vlasopbrengst der heerengoederen, — werkzaamheden die alweder door vrouwen verricht werden, — maar ook de belastingen en leveringen der onvrijen en schatplichtigen. 4) Evenals de tegenwoordige arbeidster naar de fabriek gaat, zoo ging de horige naar het vrouwenvertrek. 5) Haar arbeidstijd duurde van zonsopgang tot zonsondergang, eerst later in de middeneeuwen werd het arbeiden bij kunstlicht gewoonte. Loon kreeg zij niet, daarentegen meestel een ontoereikenden kost ®), en waar deze verviel, vier penningen daags voor haar onderhoud. Een meesteres, die soms de vrouw van den heer zelf was, had de leiding van den arbeid ; teekenaarsters vervaardigden de voorbeelden voor het borduurwerk, dat overal, op mannen- en vrouwenkleederen, linnengoed, wandbekleeding

1) Zie G. L. von Maurer, Geschichte der Fronhöfe. Erlangen 1862. Derde deel, blz. 169 en vlgg. Vierde deel, blz. 498.

2) Zie Edouard Laboulaye, t. a. p., blz. 327.

3) Zie Hartmanns von der Aue „Iwein", 6186-6206.

4) Zie Maurer, t. a. p., 1ste deel, blz. 115, 135, 241, 394 en vlgg., 2de deel, blz.

387 en vlgg., 3de deel, blz. 325.

5) Zie Dr. P. Norrenberg, Frauenarbeit und Arbeiterinnenerziehung in deutscher Vorzeit. Schriften der Görres-Gesellschaft. Köln 1880. blz. 40.

6) In Hartmanns von der Aue „Iwein" schildert de dichter de hongerende, bleek weefsters in de werkplaats met aangrijpende welsprekendheid.

Sluiten