Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijke kleeding droegen, het huis slechts bij dag verlaten mochten en hun levensonderhoud zelf verdienen moesten. Er was haast geen groote stad die niet eenige bagijnenkloosters had; Keulen alleen bezat er in de 15de eeuw over de honderd, elk met acht tot tien bewoonsters; in Bazel waren ter zelfder tijd ongeveer 1500, in Parijs 2000 bagijnen, in Frankfort a. d. M. behoorde in de 14de eeuw 6 pCt. der volwassen vrouwenbevolking tot de bagijnenvereenigingen. ')

Het aanbod van goedkoope vrouwelijke arbeidskracht was dientengevolge buitengewoon groot. De bagijnen sponnen, weefden, naaiden en waschten, zij kwamen in de huizen der burgers als hulp in de huishouding, zij hielden zich bezig met elk soort van vrouwelijken handarbeid en konden, daar zij kosteloos woonden, niemand dan zich zeiven te verzorgen hadden en haar behoeften zeer gering waren, met het kleinste loon tevreden zijn. Ook buiten de gilden, de kloosters en de vereenigingen waagden alleenstaande vrouwen het een broodwinning te zoeken. In grootere steden waren soms wereldlijke loonschrijfsters, die het tot eenig aanzien brachten, zooals b.v. de Augsburger burgeres "ï Klara Hatzler, die ten gevolge van haar bekwaamheid zeer gezocht werd. Vaker wordt van vrouwelijke artsen melding gemaakt; in Frankfort a. d. M. werd haar aantal aan het einde der 14de eeuw als 15 opgegeven, en uit een edict der fransche regeering van 1311, volgens hetwelk mannelijke en vrouwelijke artsen zich aan een examen onderwerpen moesten, 2) blijkt dat men ook daar aan dit vrouwelijk beroep geen aanstoot nam. In ieder geval was het aantal der vrouwen die er zich aan wijdden te gering om den broodnijd harer mannelijke collega's op te wekken, en zij zouden naast de massa der handarbeidsters niet vermeld worden, als niet hieruit bleek, hoe vroeg de vrouwen zich reeds gedwongen zagen, ook in de hoogere beroepen binnen te dringen.

De eersten die den strijd tegen het angstwekkend toenemen van den vrouwenarbeid opnamen, en krachtig doorzetten, waren de gilden. Nadat zij eerst de concurrentie der niet georganiseerde arbeidsters getracht hadden te onderdrukken, doordat zij haar tot toetreden in de gilden dwongen, groeide hun thans de concurrentie in de gilden en die der uitsluitend vrouwelijke gilden over het hoofd; zij wijzigden daarom hun taktiek, door te trachten de vrouwen weer uit de gilden te verdrijven. Teekenend is het dat zij hun broodnijd eerst bedekten met een sentimenteel manteltje; de tapijtwevers zeiden dat hun arbeid voor vrouwen te zwaar was, en sloten haar reeds in de 13de eeuw uit

1) Zie Norrenberg, t. ». p., blz. 50 en vlgg.

2) Zie L. Frank, La femme-avocat. Brussel-Parijs 1897, blz. 61 en vlgg.

Sluiten