Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staatssecretaris Von Stephan herhaalde, ') terwijl toen slechts in zooverre een vooruitgang in de stemming op te merken viel, dat het den Rijkskanselier ter overweging aangeboden werd. Een gelijk lot ondergingen de verzoekschriften om toelating der vrouwen tot het apothekersberoep. In de vrouwenwereld zelve was een langzame, doch aanhoudende vooruitgang merkbaar. Nood leert denken, en zoo werd in de evenwel engbegrensde kringen der vereenigingen grondig overwogen welke beroepen de vrouw kon ter hand nemen. De beurskrach van 1873 tot 1874 in 't bizonder dwong scharen van vrouwen en meisjes naar een beroep om te zien dat haar onderhouden kon. Men zond bij de parlementen der verschillende landen verzoekschriften in om meerdere aanstelling van onderwijzeressen, men stichtte — in de Algemeene Duitsche Vrouwenvereeniging — een studie-fonds, om arme meisjes in het buitenland te laten studeeren, men sprak er voor de eerste maal van, dat vrouwen in gemeentedienst, in zieken-, armen- en werkhuizen, in gevangenissen en bij de zedelijkheidspolitie plaatsing moesten vinden, zonder natuurlijk het geringste werkelijke succes te hebben. In de engte gedreven kwam men er zelfs toe den „welopgevoeden" meisjes het vak der naaister aan te prijzen, „wier lot een aangenaam en bizonder winstgevend was." 2) Feitelijk wendden zich ook, bij gebrek aan andere beroepen, vele vrouwen der bourgeoisie tot arbeid, dien zij voor huis en gezin reeds gewoon waren, en die haar nu onderhouden of in de meeste gevallen — haar geldelijken toestand verbeteren moest. Den duitschen'kruidenier was zulk een werkkring, die vrouw en dochter niet aan het „dierbaar huis" onttrok, sympathiek; hij verzette zich immers zelfs tegen iedere uitbreiding van het beroep, dat reeds lang een vrouwenberoep was: dat van onderwijzeres. Daarbij leidde hem zeker minder vooroordeel en overgevoeligheid, dan concurrentievrees. De geschillen tusschen onderwijzers en onderwijzeressen traden het eerst TTf de vereeniging voor middelbaar onderwijs voor meisjes aan het licht, doch sloegen weldra over in wijder kringen. De mannen wilden de werkzaamheid van den vrouwelijken opvoeder indien mogelijk slechts tot de elementaire vakken beperken, terwijl de vrouwen, geprikkeld door deze houding, in het tegenovergestelde uiterste vervielen en het geheele meisjesonderricht in handen wilden krijgen, en zich natuurlijk ook harerzijds beriepen op zedelijkheid, vrouwelijkheid en hoe die fraaie woorden meer mogen heeten, waarmee de duitscher bizonder rad omgaat. Deze

1) Zie Stenografisch Verslag der handelingen van den Rijksdag. Derde sessie, le deel, 1872. Blz. 760.

2) Zie Luise Otto, Das erste Vierteljahrhundert des Allgemeinen deutschen Frauenvereins. Leipzig 1890, blz. 45.

Sluiten