Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat haar huwelijkscijfers, hun grooter of kleiner worden betreft, deze zijn de volgende: ')

Op 100 inwoners huwden

1841 '50: 188190:

Zweden 7,27 6,26

Noorwegen 7,78 6,52

Denemarken 7,87 7,33

Finland 8,15 7,32

Engeland 8,05 7,47

Nederland 7,41 7,08

België 6,79 7,07

Duitschland 8,05 7,77

Westelijk Oostenrijk 7,71 7.50

Galicië 9,54 8,50

Frankrijk 7,94 7,38

Men kan op grond van deze statistiek aantoonen, dat het huwelijkscijfer bijna overal dalende is. Omvatten de berekeningen kortertijdruimten, dan zijn natuurlijk ook de verschillen geringer, ja er vertoonen zich soms slechts schommelingen, zooals b.v. in Duitschland. Het is echter een verkeerde gevoltrekking, uit deze cijfers te willen afleiden dat de veelvuldigheid der huwelijken gemiddeld gelijk blijft, 2) en het is verkeerd aan de dochters der bourgeoisie dit gelijk blijven eenigermate als troost voor te houden. Niet alleen, dat de huwelijksleeftijd der mannen in burgerkringen steeds hooger wordt, — in Pruisen is hij bij de beroeploozen gemiddeld 41, bij de openbare beambten 33 jaar, — en de veelvuldigheid der huwelijken dientengevolge noodwendig daalt, hun trouwlustigheid ook vermindert voortdurend. Dit kan jammer genoeg niet statistisch vastgesteld worden, daar een indeeling der gehuwden naar de sociale lagen bijna geheel ontbreekt. 3) Volgens een berekening der bevolking van Kopenhagen komen op 100 mannen in burgerlijke beroepen slechts 51,94 pCt. gehuwden of die gehuwd waren, terwijl op die in proletarische beroepen 62,40 pCt. komen; 4) over het afnemen

') Zie G. von Mayr, t. a. p., blz. 384.

2) Zooals b.v. Gustav Cohn in zijn boek: Die deutsche Frauenbewegung, Berlin 1896, blz. 54—55, doet.

3) De door A. von Fircks bewerkte, op blz. 156 genoemde pruisische statistiek der huwelijken naar het beroep, had daaromtrent uitsluitsel kunnen geven, als men de beroeplooze inwonende dochters, die bijna de helft der huwende vrouwen uitmaken, naar het beroep hunner ouders ingedeeld had, in plaats van haar onder één rubriek te brengen en bovendien met de renteniersters te vermengen. Zie ook G. von Mayr, t. a. p., blz. 411 en vlgg.

4) Zie Rubin und Westergaard, DieStatistik der Ehen,Jena 1890, Tabel V, blz. 28—29.

Sluiten