Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoudig daglooner en den zoöloog Cuvier toebehoorden. Als een spotternij van de natuur kan het wel beschouwd worden, dat Bischof, die uit de omstandigheid dat, volstrekt genomen, de vrouwenhersens lichter zijn, met bizonderen nadruk haar geestelijke minderwaardigheid wilde bewijzen, zelf lichter hersens had dan volgens zijn opgaven de vrouwen gemiddeld bezitten. Ook de groei der hersenmassa heeft men ten ongunste van de vrouwen uitgelegd, hoewel niets meer gevonden werd, dan dat de hersens bij de meisjes sneller toenemen, vroeger met groeien ophouden en noodzakelijkerwijs dientengevolge ook vroeger beginnen te verminderen dan bij de mannen. Verder werd het zoo opgevat alsof de grootte der voorhoofdskwab den doorslag gaf. Proefnemingen met dieren en de omstandigheid dat achterlijke personen de grootste voorhoofdskwab plegen te hebben, getuigen echter voor de zwakheid van dit bewijs. Bij het wegen der verschillende hersendeelen is verder gebleken, dat een wezenlijk verschil tusschen de geslachten in dit opzicht niet bestaat. Het is na dit alles duidelijk dat door het onderzoek der hersens met betrekking tot den geestelijken aanleg van man en vrouw niets bewezen werd. Zelfs de verschillen die soms bestaan hebben voor de oplossing van dit vraagstuk zoo goed als geen waarde, daar niet alleen het aantal der onderzochte hersens veel te gering is, om algemeen geldige gevolgtrekkingen daaruit te maken, maar wijl het grootste gedeelte der onderzochte hersens toebehoord heeft aan leden der geestelijk en lichamelijk onderdrukte klassen, en een betrekking tusschen de hersendeelen en den geestesaanleg toch eerst dan vastgesteld kan worden, wanneer men de hersens van intellectueel ontwikkelde personen van beide geslachten met die der geestelijk laag staanden vergelijken en tegelijkertijd den invloed der opvoeding op de hersenontwikkeling zou kunnen waarnemen.

Veel meer grond schijnt er voor te zijn, wanneer de geslachtsfuncties van de vrouw beschouwd worden als een door de natuur getrokken grens die haar van den beroepsarbeid scheidt. Reeds het merkwaardig feit van een periodiek terugkeerend bloedverlies, dat de meening teweeggebracht heeft, als zouden de vrouwen duurzaam ziek zijn, schijnt haar van den beroepsarbeid uit te sluiten. „De vrouw lijdt voortdurend aan het dichten van een inwendige wond," zegt Michelet, en Galiani verklaart haar voor een van nature zwak en ziek dier. Cultuurvolken van de oudheid en natuurvolken van het heden beschouwden en beschouwen haar op zekere tijden als een onreine en hebben een bijgeloovige vrees voor haar. ') Al deze opvattingen zijn zeer begrijpelijk, daar het een

>> Zie H. Ploss, Das Weib in der Natur- und Völkerkunde, 5de druk, Leipzig 1897, lste deel, blz. 335 en vlgg.

Sluiten