Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal mannelijke arbeiders. Belangwekkend is bij de onderhavige tabel het beeld dat Frankrijk oplevert. Ook volgens de jongste telling schijnen de vrouwen bij de mannen aanzienlijk achter te blijven. Een blik op de volstrekte cijfers der mannelijke arbeiders geeft hiervoor de verklaring: volgens deze zou het aantal beambten en arbeiders in den loop van slechts vijf jaren met ongeveer drie millioen vermeerderd zijn! Dat is, de zeer geringe aanwas in aanmerking genomen, zelfs dan een onmogelijkheid, wanneer in acht genomen wordt, dat de telling van 1896 de kleine bazen (petits patrons) bij de arbeiders gerekend heeft, en als het meest waarschijnlijke kan aangenomen worden, dat de statistiek van 1891 een groot deel der arbeiders niet bereikte. Is dat het geval, dan zou de groepeering der arbeiders volgens de geslachten geheel anders worden.

Het sterk toenemen van den proletarisch en vrouwenarbeid wordt haast altijd met een verdringen van den mannenarbeid in verband gebracht. Als bewijs hiervoor beroept men zich op het vaak waargenomen, in het vorig hoofdstuk ook door ons aangevoerde feit, dat door de invoering van nieuwe, gemakkelijker te besturen machines in zekere takken van fabricage vrouwen in de plaats van mannen treden. Geheel afgezien van de omstandigheid dat er ook machines zijn — b.v. de zetmachine — die harerzijds weer vrouwenarbeid verdrongen, blijkt aan de hand der statistiek, dat in het algemeen van een vervanging der arbeiders door arbeidsters nauwelijks sprake kan zijn, en er veeleer van verschuiving gesproken moet worden. De tegenovergestelde bewering is ook een dier op onvoldoende kennis der feiten berustende dooddoeners der vrouwenbeweging. De volgende tabel strekke om dit te bewijzen '). In de positie van beroeplooze gezinsleden bleven namelijk:

Van iedere 1000 personen in de Duitschland Oostenrijk

ouderdomsklasse mannelijk vrouwelijk mannelijk vrouwelijk

onder 20 jaar 742 812 655 691

van 20—30 jaar 24 531 28 268

„ 30—40 9 743 | 11 340

„ 40—50 7 710 7 304

„ 50—60 10 632 8 267

„ 60—70 | 22 553 18 261

„ 70 jaar en daarboven. . . | 106 469 54 253

1) Zie H. Rauchberg, Die Berufs- und Gewerbezïhlung im Deutschen Reich vom 14 Juni 1895. In Brauns Archiv für soziale Gesetzgebung und Statistik, XV deel, blz. 336 en vlgg., en dezelfde, Die Bevölkerung Oesterreichs, Weenen 1895, blz. 15.

230

Sluiten