Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de arbeidswet (Gewerbeordnung) met veel vertoon zegt, de huishouding te verzorgen. In het gunstigste geval wordt het eten dat den vorigen avond gekookt was, opgewarmd, of dat van 's morgens langzaam op de gloeiende asch had staan pruttelen, op tafel gebracht, in beide gevallen is uit de op zichzelf reeds minderwaardige spijzen de voedingswaarde gevloden. In de meeste gevallen vergenoegt zich het gansche gezin tot de thuiskomst der moeder des avonds met brood en koffie, dan eerst maakt de oververmoeide vrouw den hoofdmaaltijd klaar, dan eerst, na een tien-, elf-, ook dertienurigen arbeid begint haar huiselijke bezigheid. Zij naait en verstelt en wascht en boent, wanneer zij nauwgezet is, zoodat haar nauwelijks vijf uren tot slaap overblijven. Vroegtijdig verouderen, geestelijke en lichamelijke uitputting zijn de gevolgen. Of zij bekommert zich om niets meer, wanneer de arbeid haar reeds stompzinnig en onverschillig heeft gemaakt: dan verwaarloost zij de huishouding en de kinderen. Tusschen deze beide wegen alleen heeft zij te kiezen! Hoe vaak zij den eerste kiest, daarvoor spreekt de bewondering, waarmee de zeker weinig geestdriftige duitsche fabrieksinspecteurs van de wilskracht, de offervaardigheid en de onvermoeibare arbeidskracht der gehuwde arbeidsters melding maken. ') Maar zelfs met het verwoesten van al haar krachten verliezen toch de huishouding haar leidster, de kinderen hun moeder.

Een grondige statistiek van het aantal kinderen der arbeidsters is er helaas niet. De duitsche enquête der arbeidsinspecteurs voor 1899 is in dit opzicht geheel ontoereikend. Slechts in 17 districten van de 78 werden hierover onderzoekingen ingesteld en ook hier werden slechts enkele gevallen nagegaan. Deze werpen echter toch nog voldoend licht op dit duister gebied van het proletariërs'even; in de volgende tabel zijn alle resultaten bijeengevoegd:

(Zie de tabel op bladzijde 292.)

Uit deze tabel blijkt, dat 65 °/o van alle vrouwen kinderen hebben; op 100 vrouwen komen in 't geheel 231 kinderen, waarvan 90 kinderen beneden de 6 jaren, 108 beneden de 14 jaren, in 't algemeen 201 die nog niet de school ontwassen zijn. Leggen wij denzelfden maatstaf aan de gezamenlijke gehuwde arbeidsters aan, zooals de duitsche beroepstelling van 1895 haar aantal vaststelde, dan hebben 149.067 vrouwen, d. w. z. 65 ü'o van alle gehuwde arbeidsters, 334.345 kinderen, waarvan 299.625 nog thuis zijn. Dit cijfer is echter nog veel te laag genomen, daar de ongehuwde moeders en haar kinderen niet meege-

1) Zie Die Beschaftigung verheirsteter Frauen in Fabriken, t. a. p., blz. 36 en en vlgg. en 122 en vlgg.

Sluiten