Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is haar verdienste minder. ') Een weduwe in Berlijn moest, om 10 Mk. weekloon te behalen, van 's morgens vier en vijf uur tot 's nachts elf uur arbeiden; trots deze bovenmenschelijke inspanning kon zij haar gezin niet alleen onderhouden, zij moest tot het armbestuur haar toevlucht nemen! 2) Een Leipziger thuisarbeidster die in den vroegen morgenstond haar huishouding verzorgde, werkte dan tot half elf in den nacht; daar zij den tijd daarvoor niet nemen kon, moest haar oudste elfjarige jongen het middageten klaarmaken en op de zusjes passen 3). Berlijnsche blousenaaisters hebben weekloonen van 3,50 Mk. tot 4,50 Mk. 4). In Essen verdiende een moeder met haar dochter bij een zestien- tot achttienurigen arbeidstijd 9,75 Mk. voor het naaien van linnen werkbroeken; per stuk ontvingen zij.... 12 pf., hoewel behalve het machinewerk nog de voering geknipt, zakken, vier knoopsgaten, tien knoopen genaaid en het garen er bijgeleverd moest worden. 5) Knoopsgatboordsters halen een wekelijksche verdienste |van 3 tot 3,60 Mk., knoopsgatnaaisters in den stillen tijd 2 tot 4 Mk., in den drukken tijd 5 Mk.; een linnennaaister, moeder van vier kleine kinderen, kon bij den meest ingespannen arbeid niet meer dan 9 Mk. per week verdienen. 6) Hoe het bij zulke verdiensten met den levensstandaard gesteld is, daarvoor slechts eenige voorbeelden. Een opzichzelfstaande thuisarbeidster in Berlijn, die 7 Mk. per week verdiende, had het volgende weekbudget:

met een ander gedeelde keuken 1,50 Mk. melk 0,35 Mk.

vuur 0,30 „ zout, soda, enz 0,10 „

spiritus voor het koken. . . 0,20 „ koffie 0,40 „

petroleum 0,30 „ boter 0,50 „

wasch 0,15 „ reuzel 0,38 „

meel, groente, grutterswaren . 0,70 „ fondsen 0,22 „

"rdïPPels >' te zamen 6,25 Mk-

brood 1,00 „

Haar dagelijksche uitgave voor voeding bedroeg dus niet volkomen 50 pf., voor kleeding, schoeisel en overige uitgaven bleven wekelijks slechts 75 pf. over. 7) Een andere die een slaapplaats had en 's middags voor 35 pf. per dag buitenshuis at, had, daar zij zich wat beter voedde,

1) T. a. p., blz. 247 en vlgg.

2) T. a. p., blz. 236.

3) Zie Oda Olberg, Das Elend in der Hausindustrie der Konfektion. Leipzig 1896, blz. 51.

4) Zie Gertrud Dyhrenfurth, t. a. p., blz. 47 en vlgg.

5) Zie E. Jaffé, t. a. p., blz. 47 en vlgg.

6) Zie J. Feig, Hausgewerbe und Fabrikbetrieb in der BerlinerWSsche-Industrie. Leipzig 1896, blz. 60 en vlgg.

7) Zie Gertrud Dyhrenfurth, t. a. p., blz. 59.

Sluiten