Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontberingen of onder voortdurend ophoopen van schulden het leven kunnen houden. Daar echter ook deze vrouwelijke handelsbedienden bizonder bevoorrechten zijn — slechts zij die in beter conditie zijn en de meest intelligente onder haar gaan er toe over tot een vereeniging toe te treden — blijkt dat in het algemeen genomen zoowel het percentage der laagbeloonden, als dat der opzichzelfstaanden feitelijk hooger moet zijn. Maar zelfs wanneer wij de zeer gunstige berlijnsche berekening tot grondslag nemen, om den toestand van alle handelsbedienden daarnaar te beoordeelen, blijkt dat van de 365.005 niet minder dan 105.851 op zichzelf staan en van deze weer bijna 17.000 van de opbrengst van hun arbeid niet kunnen leven.

In Engeland zijn de loonsverhoudingen volstrekt niet beter, ofschoon men soms geneigd is dat aan te nemen, daar de handelsbedienden, behalve bezoldiging, kost en inwoning hebben. Maar zelfs in het onwaarschijnlijke geval, dat deze kost en inwoning zoo voortreffelijk zijn, dat een bijslag voor de voeding uit eigen zak niet noodig blijkt te zijn, is een jaarlijksch inkomen van 10 tot 12 pd. ') in de groote steden van Engeland op verre na niet voldoende om de noodzakelijke uitgaven, waarvoor de winkeljuffrouwen staan, te bestrijden. Daarbij heerscht in Engeland het misbruik der boeten in den meest uitgebreiden omvang. In menige zaak zijn tot honderd verschillende vergrijpen die door loonaftrek geboet moeten worden. 2)

Voor Frankrijk kunnen wij ons niet beroepen op officieele onderzoekingen om volgens deze den toestand der handelsbedienden te schetsen; intusschen hebben wij in Zola's „Au Bonheur des Dames" een veel waardevoller document.

Het toont ons den kleinen winkel met zijn slecht gevoede en slecht betaalde arbeiders, het voert ons binnen in de koortsige bedrijvigheid van het groote magazijn, dat zenuw- en spierkrachten ondermijnt; het opent ons de deur tot de enge, onverwarmbare, alle gemakken ontberende dakkamers, waar de meisjes 's avonds half bewusteloos op haar bed neervallen, en tot de eetzalen waar de menschelijke arbeidsmachines met veel minder zorg gespijzigd worden dan de ijzeren machines in de fabrieken. Het ontneemt ons met zijn grootsche schildering der werkelijkheid elke illusie omtrent den toestand der winkelmeisjes. Maar veel meer nog dan voor het reuzenhandelshuis, dat door zijn geweldigen omzet in staat is, zijn bedienden een verzekerde betrekking te geven, trots alle uitbuiting en verwaarloozing, geldt voor de kleine, moeizaam

1) Zie Royal Commission of Labour. Employment of Women, blz. 6 en vlgg., 234 en vlgg.

2) T. a. p., blz. 85 en vlgg., 234 eu vlgg.

Sluiten