Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door kinderen met zijn treurige gevolgen van lichamelijke en zedelijke verwaarloozing, zijn de eerste natuurlijke resultaten van zulke loonsverhoudingen.

In Frankrijk zijn zij nauwelijks beter. De gemiddelde verdienste der vrouwen bedraagt in den winter zonder kost 1,42 fr., met kost 79 c., in den zomer 1,87 en 1,14 fr.; ') in enkele streken, b.v. in Bretagne, dalen de loonen tot op 50 c. en 1 fr. per dag, terwijl zij intusschen anderzijds soms, b.v. in Normandië, tot op 2 en 3 fr. stijgen; 2) jn het algemeen stijgt het jaarlijksch inkomen der fransche dagloonster hoogst zelden boven 229 fr„ terwijl 300 fr. het minste is waarmee een bestaansminimum verzekerd is. 3) Haar duitsche arbeidsgenoote in het verre oosten, waar in den korten zomertijd der aarde met moeite hare vruchten ontworsteld worden, heeft dus geen reden de zuster in het zonnige, rijke Frankrijk te benijden. In een eenigszins beteren toestand bevindt zich de engelsche landarbeidster. Zij neemt, zooals wij gezien hebben, in aantal snel af, dientengevolge stijgen haar loonen en maken haar een dragelijk leven mogelijk. *) Meer en meer echter beperkt zij zich uitsluitend tot het bestier van het eigen kleine eigendom, terwijl haar man als daglooner uit werken gaat. y Met haar staat op gelijken trap de vrouw en de dochter van den kleinen zelfstandigen landbouwer, alleen hangt haar inkomen enkel van de opbrengst harer bezitting af. Zij zijn haast altijd ware arbeidsslaven, zeer vaak flinker dan de mannen die maar al te dikwijls den alcoholduivel ten offer vallen. Niettemin zijn deze arme proletarische vrouwen meer afhankelijk van hen, dan eenige loonarbeidster van haren werkgever. Haar arbeid wordt als zoo van zelf sprekend beschouwd, als die van de vrouw van den „Instmann", en de klinkende opbrengst daarvan vloeit alleen in den zak van het gezinshoofd. Deze toestand van volslagen afhankelijkheid komt in Picardië nog heden tot uiting door het feit dat de vrouw haar man niet anders noemt dan mon maïtre en de man zijn vrouw in de Vendée niet anders dan ma créature. 5)

Een geheel andere plaats neemt de trekkende arbeidster in. Niets ketent haar aan den grond, noch een aandeel in de opbrengst van het landgoed, noch het eigen bezit, noch het jaarloon van de dienst-

1) Zie Barbaret, t. a. p., 6e deel, blz. 322.

2) Zie Baudrillard, t. a. p., Ie deel, blz. 608 en vlgg. en 337 en vlgg.

3) T. a. p., 3e deel, blz. 443.

4) Zie Royal Commission on Labour. The agricultural Labourers. London 1894 5e deel, le afd., blz. 160 en vlgg.

5) Zie Baudrillard, t. a. p., 2e deel, blz. 385 en 184.

Sluiten