Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verlangde diensvolgens in 1884 de toevoeging van vrouwelijke beambten aan de arbeidsinspectie. Het kiesrecht tot nijverheidsrechtbanken was een andere eisch der arbeidstersbeweging. Toen in 1890 de regeering een wetsontwerp tot wijziging der „Gewerbeordnung" aan den Rijksdag voorlegde, stelde de sociaaldemocratische partij er een ander tegenover dat voor de vrouwen het kiesrecht tot de door haar voorgestelde kamers van arbeid beoogde. Na de verwerping van haar ontwerp stelde zij nog in dezelfde zitting voor om den arbeidsters het actief en passief kiesrecht tot de nijverheidsrechtbanken toe te kennen.

Een der meest belangrijke gebeurtenissen echter, die strekte tot versterking van het socialistisch karakter der duitsche arbeidstersbeweging, was het verschijnen van August Bebel's boek: „Die Frau und der Sozialismus". Aan de hand der ontwikkelingsgeschiedenis en der statistiek werd hier voor de eerste maal het noodwendig verband der vrouwenkwestie met de sociale kwestie aangetoond, en bewezen dat eerst de economische bevrijding der vrouw haar ontvoogding zou kunnen voltooien. De uitwerking van dit boek deed zich spoedig ver over Duitschlands grenzen gevoelen en heeft niet slechts de vrouwenkwestie in een nieuw licht gesteld, maar allengs de meening omtrent haar oplossing grondig helpen wijzigen.

De door al deze invloeden steeds sterker wordende arbeidstersbeweging had nu ook behoefte aan een organisatie, daar zij aan het politiek vereenigingsleven der mannen tengevolge der wettelijke beperkingen niet kon deelnemen. Zoo werden in 1891 allerwege zoogenaamde agitatiecommissies gesticht, wier taak was in de propaganda onder het vrouwelijk proletariaat eenheid en stelsel te brengen. In de „Arbeiterin kreeg in hetzelfde jaar de beweging een orgaan, dat eerst door Emma Ihrer geleid werd en later onder den titel „Die Gleichheit" in handen van Klara Zetkin overging. De stijgende invloed der vrouwen kwam tot uiting in de besluiten van den Erfurter Partijdag. In het program dat deze opstelde en dat tot heden het richtsnoer der partij gebleven is, werd de vrouwenkwestie grondig behandeld. Naast de oude eischen van arbeidstersbescherming kwamen de nieuwe tot afschaffing van alle wetten, die de vrouw in publiek en privaat-rechtelijk opzicht tegenover den man benadeelen en de vrije uiting van gedachte en het recht van vereeniging en vergadering beperken of onderdrukken, de gelijkstelling in rechten van de landarbeiders en de dienstboden met de industrieele arbeiders, de afschaffing van de „Gesindeordnungen" (dienstbodenwetten). Het scheen een echo dezer besluiten, toen in hetzelfde jaar van den kant der autoriteiten een ware razzia onder de nieuw ontstane arbeidstersvereenigingen gehouden werd: in Frankfort en in

Sluiten