Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

congres is aan den toenemenden invloed van het fransche socialisme toe te schrijven. Zij wijzen wel de wettelijke bescherming voor vrouwelijke arbeiders af, — een herinnering aan het feminisme, — maar zij verlangen haar in uitgebreiden zin voor beide geslachten, terwijl zij den fundamenteelen eisch der georganiseerde arbeiders — den achturendag — aan het hoofd plaatsen. ')

Op de meest belangwekkende en meest blijvende wijze echter vertoont zich de invloed der arbeidersbeweging in de houding der duitsche burgerlijke vrouwenbeweging tegenover het arbeidstersvraagstuk. Dat het de arbeidersbeweging mogelijk was met eenige harer denkbeelden in de burgerlijke vrouwenbeweging post te vatten, is het natuurlijk gevolg van de veronachtzaming van het vrouwenvraagstuk door de burgerlijke partijen van Duitschland. Terwijl het engelsch liberalisme de eischen der vrouwen niet slechts ernstig opvatte, maar ook vaak aanvaardde, en het evenals de conservatieve partij den drang der vrouwen tot politieke werkzaamheid zich handig ten nutte maakte, terwijl zij haar beiden in zekeren zin voor hun wagen spanden, gaven zij blijk van een goeden blik in de toekomst te hebben, die den Duitschers geheel ontbrak: de vrouwen hadden een steun aan hen, terwijl de duitsche vrouwen tot voor korten tijd door alle burgerlijke partijen evenzeer in den ban gedaan werden.

Het binnendringen van sociale denkbeelden in de duitsche burgerlijke vrouwenbeweging voltrok zich natuurlijk buitengewoon langzaam, en werd eerst uiterlijk merkbaar toen de banvloek, waarmee de socialistenwet het socialisme en zijn vertegenwoordigers in de oogen der burgerlijke wereld getroffen had, opgeheven was. Nog in 1872 verklaarde Auguste Schmidt, de eigenlijke leidster der Algemeene Duitsche Vrouwenvereeniging, die toenmaals haast alleen de vrouwenbeweging vertegenwoordigde, de ontwikkeling voor het eigenlijke kern- en zwaartepunt der vrouwenkwestie. Weinige jaren later, met het oog op de socialistenwet, rekende zij zich verplicht de duitsche vrouwenbeweging tegen iedere verdenking van revolutionaire oogmerken in t openbaar in bescherming te nemen. Eerst in 1881, voor het eerst weer sinds de oprichting der sinds lang verdwenen arbeidstersvereeniging in 1869 door Luise Otto, hield zich de algemeene vergadering der vereeniging, tengevolge van een voordracht van Marianne Menzzer, bezig met den treurigen toestand der arbeidsters. Haar eisch: „gelijk loon voor gelijken

1) Zie de stenografische kongresverslagen in de courant „La Fronde" van 6 en 7 September 1900.

2) Zie Luise Otto-Peters, t. a. p., blz. 22.

3) T. a. p., blz. 51.

Sluiten