Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iedere wijze te bevorderen. Een der belangrijkste middelen daartoe is de ondersteuning der landbouw-coöperaties, die alleen in staat zijn, de nadeelen van het kleinbedrijf door gemeenschappelijk aanschaffen der middelen tot het grootbedrijf te bevorderen. Ongetwijfeld zal daardoor ook het aantal seizoen-landarbeiders, d. w. z. bezitlooze daglooners, vermeerderd worden. Dit wordt in den tegenwoordigen tijd als nadeelig voor de belangen der opgezeten arbeiders beschouwd. En terecht, want de bedoelde arbeiders komen uit sociaal laagstaande volkskringen voort. Daarom heeft de sociale politiek in de eerste plaats hier in te grijpen. Dat kan op drieërlei wijze geschieden: door scherpe voorschriften betreffende de woningtoestanden der arbeiders en het invoeren van een landelijke woninginspectie, door wettelijke, aan eiken seizoenarbeid speciaal aangepaste beperking van den arbeidsdag, en door rechtstreeksche bevordering van de organisatie der trekkende arbeiders. Het instellen van een landbouwbedrijfsinspectie zou in aansluiting hiermee noodzakelijk zijn, maar bij den grooten omvang van het te controleeren gebied zou vooreerst aan ingrijpende rechtstreeksche resultaten harer werkzaamheid evenmin te denken zijn als aan de directe werking der wet zelve, wanneer niet een zeer krachtige wil bij het staatsbestuur haar doorvoering verzekerde. Haar beteekenis zou voor het begin voornamelijk opvoedend zijn. De arbeiders die na het eindigen van hun arbeid naar hun huis terugkeeren, zouden met andere begrippen en behoeften weerkeeren dan zij heengegaan zijn, en zouden op de achtergeblevenen hunnerzijds weer invloed uitoefenen, zoodat een geleidelijke verheffing van gansche volkslagen mogelijk zou worden. De verheffing moet echter ook van anderen kant nagestreefd worden, en wel door het verbod van landarbeid door kinderen en van het trekken van jonge lieden beneden de achttien jaar. Wanneer, met het oog op het in gevaar brengen der zedelijkheid door den trekkersarbeid, soms geëischt wordt dat dit verbod over alle minderjarige meisjes uitgestrekt wordt, >) komt mij dit voor te ver te gaan. Wan dit standpunt moest men haar allen in huis opsluiten, want er is, zooals wij voldoende gezien hebben, geen arbeidsveld, waarop de zedelijkheid geen gevaar loopt. Hield men haar echter van den trekkersarbeid terug, dan zouden zij gedwongen zijn, een andere broodwinning te zoeken. Het achttiende jaar schijnt mij daarentegen voor beide geslachten een passende grens uit te maken. De noodzakelijke aanvulling van het arbeidsverbod zou de uitbreiding van den leerplicht moeten zijn en het oprichten van landelijke scholen voor herhalings-

1» Zie Karl Kautsky, Die Agrarfrage. Stuttgart 1899, blz. 371.

Sluiten